30. Verbindingsmoe

Geen idee of het een woord is, maar momenteel heb ik hier best last van. Ik ben moe van verbinding. Ik hoor het te pas en te onpas. Velen praten hierover en veel mensen vragen zich af hoe ze nu in deze tijd nog verbinding met elkaar kunnen maken. Op anderhalve meter afstand, met mondkapje, is het moeilijk om goed te kunnen inschatten hoe de ander erbij zit. Over het algemeen ben ik iemand van de non-verbale communicatie. Ik heb het hele gezicht nodig om te zien of datgene wordt gezegd klopt met de manier van kijken. 

Van vroeger uit heb ik geleerd de persoon die tegenover me zit te ‘lezen’. De ander kon zeggen dat het goed met hem ging toch was dit vaak niet de waarheid. Iemands daden en lichaamstaal kan dat wat gezegd wordt behoorlijk tegenspreken. Ik heb door de jaren heen geleerd meer op mijn gevoel en dat wat ik zie te vertrouwen dan op de woorden die de ander spreekt. Door deze tijd en in deze huidige omstandigheden, nu ik meer moet vertrouwen op de woorden die de ander uitspreekt, moet ik dus meer moeite dan anders doen om echte verbinding te maken. En dat is wat me vooral zo moe maakt. 

Wanneer ik terug denk aan hoe ik geleerd heb verbinding te maken met de mensen om me heen denk ik dat daar veel in is mis gegaan. Nog in de buik van de moeder sta je in directe verbinding via de navelstreng. Volgens de wetenschap is het zelfs zo dat baby’tjes in de buik kunnen voelen of de moeder gestresst is ja of nee. Zelfs deze premature gevoelens hebben invloed op de ontwikkeling van jou als mens. 

Als baby maak je allereerst verbinding met je ouders. Als het goed is tenminste. Huid op huid contact is hierin essentieel. Wanneer je als baby borstvoeding krijgt leer je van het begin af aan verbinding te maken door het huid op huid contact, door reuk en smaak. Als baby heb je nog niet zoveel keuze met wie je verbinding maakt. Je wordt opgepakt en in iemands armen gelegd. Als baby heb je geen zeggenschap over wie jou oppakt en waar je wordt neergelegd. De ander bepaalt, jij hebt geen keuze. Overigens is dit logisch, ook ik zie daar de logica van in. 

Ik heb me in het verleden aan veel mensen moeten verbinden. Op de een of andere manier was die verbinding altijd wel lastig. Het waren geen natuurlijke verbindingen. Meestal waren het verbindingen waar ik de afhankelijke was. Als klein kind zijnde is dat nog oké. Op latere leeftijd zou daar verandering in moeten komen. 

Toch heb ik die afhankelijkheid lange tijd gevoeld. Naarmate ik ouder werd, volwassener en bezadigder verlangde ik naar de echte verbinding waarbij de ander eerlijk en zichzelf kon zijn. Ik prikte wel door de leugentjes heen wanneer mensen mij vertelden dat het goed met ze ging. Ik realiseerde me alleen niet dat de gezichtsuitdrukking van de ander daarbij heel belangrijk voor mij is. 

Momenteel vind ik het dus vrij uitputtend om me in de mensenmassa te begeven. Het voordeel van de huidige lockdown voor mij is dan ook dat ik nu geen eens de kans krijg om met mondkapje op in een winkel of andere openbare plek te zijn. 

Hoewel ik vroeger zo weinig mogelijk thuis was, ben ik nu een echte huismus. ik gedij enorm goed op rust en alleen de mensen die ik liefheb om mij heen. Ik geniet enorm van stilletjes bij God de  Vader zijn. Bij hem hoef ik helemaal niet na te denken of wat Hij zegt wel echt de waarheid is. Het is zo relaxed om door Zijn woord te lezen Hem te horen spreken. De beloften die Hij uitspreekt zijn waar. Hij is vol vreugde over mij, ik ben geliefd, ik ben Zijn erfgenaam. Hij heeft mij altijd al in het oog gehad. Zijn plannen voor mij zijn goed. 

In Zijn aanwezigheid laad ik weer op. Hij vult mij met nieuwe energie. Hij rust mij toe om ondanks mijzelf toch weer de verbinding met anderen aan te gaan. Uiteindelijk is dat wat Hij ook in ons mensen heeft gelegd. De God die ik dien is een God die in verbinding wil staan met Zijn navolgers, Zijn kinderen, ook met mij dus. Hij heeft mij gemaakt naar Zijn evenbeeld, dus heb ik het in mij om in verbinding te staan met de ander. En hoewel ik daar nu dus wat moe van ben, geloof ik oprecht dat het wel weer komt. 

Misschien herken je de struggle dat je ergens baalt van alle verscherpte maatregelen, maar dat het je tegelijkertijd best rust geeft. Het geeft in elk geval mogelijkheden. Verbindingsmoe is wat mij betreft een woord, het geeft gewoon goed weer hoe ik me voel en doet me beseffen wat ik nodig heb. In verbinding staan met God en mezelf. Want dat kost weinig moeite en levert me tenminste echt wat op. Waardoor ik hopelijk, straks er weer fris en fruitig op uit kan trekken!

29. Verlatingsangst

Soms, zomaar ineens komt de verlatingsangst weer omhoog. Achteloos, onverwachts en kneiterhard overvalt het me. Zomaar uit het niets raakt het me volkomen en haalt het me hard onderuit. Ik raak er compleet van in de war en moet me echt bedenken wat er dan eigenlijk gebeurt. 

Vroeger leefde ik vanuit die angst. Er is zoveel gebeurd waar ik geen grip op had. Er zijn grote beslissingen voor mij genomen. Ik geloof echt dat de volwassenen die deze ingrijpende beslissingen hebben genomen dit zo goed mogelijk hebben gedaan. Ze waren er oprecht van overtuigd dat het voor mij het beste was. De keuze tussen een leven in het armoedige Indonesië of een leven in het rijke Nederland, lijkt niet een al te moeilijke keuze. Toch heb ik hierdoor het begrip ‘verlaten’ me al snel eigen gemaakt. Ik heb al op zeer jonge leeftijd ontdekt wat het woord ‘verlaten’ betekent en ik ben er bang voor geworden. 

Het begrip verlaten kan twee kanten op. Als mens kan je zelf iets of iemand verlaten. Je kan ook zelf verlaten worden. In beide gevallen kan jij je verlaten voelen. Wat mij betreft is het één niet beter of minder erg dan het andere. 

Je verlaten voelen is vreselijk. Je bent alleen maar weet eigenlijk niet goed waarom. Het is niet dat ik niet alleen durf te zijn, integendeel. Tegenwoordig ben ik graag alleen, dat scheelt een heleboel prikkels en dat scheelt weer veel energie. Maar wanneer je als kind alleen gelaten wordt en het overkomt je zonder te weten waarom, dan kan dat beangstigend zijn. Zeker als dat vaker gebeurt en elke keer grote veranderingen teweeg brengt. 

Als baby werd ik verlaten door mijn moeder. Ik heb als klein kind Indonesië verlaten en daarmee een heleboel vertrouwde gevoelens, klanken en geuren achter me moeten laten. Wanneer je iets vertrouwds achter moet laten heeft de nieuwe situatie waar je vervolgens mee te maken krijgt grote invloed op hoe je dat verlaten beleeft én hoe je tegen het begrip ‘verlaten’ aan leert kijken. 

Het is logisch dat, wanneer je een klein kind uit de vertrouwde omgeving plukt en ergens op een totaal andere plek neerzet het in eerste instantie wantrouwig zal zijn. Ik kon op die leeftijd nog geen woorden aan mijn gevoel geven, zeker niet in de nieuwe taal met een totaal andere klank en cadans. Ik had al afgeleerd te huilen dus het voelde alsof het enige wat ik nog kon doen was stil zijn. Geen aandacht vragen, geen ruimte innemen. 

Op latere leeftijd ontdekte ik dat mijn bindingsangst ten diepste geworteld lag in mijn verlatingsangst. Ik was bang om verlaten te worden, dus ging ik geen diepe relaties aan. Mochten die relaties mis gaan en ik toch verlaten worden, dan deed het in elk geval niet zo’n zeer. Mezelf niet echt geven in relaties, daar was ik goed in geworden. Maar leven vanuit de angst is vermoeiend en kost wat van je lijf. Zeker als je dat veertig jaar met succes volhoudt. Verlatingsangst heeft als ‘straf’ het alleen komen te staan. Angst op zich heeft altijd te maken met een vorm van straf. Mijn angst bestond vooral uit alleen aan mijn lot overgelaten te worden. Om me hiertegen te beschermen probeerde ik er voor te zorgen zo min mogelijk aandacht te vragen en zo weinig mogelijk ruimte in te nemen. Ik probeerde lief te hebben en op mijn manier had ik dat ook. Maar ook die liefde en zorg was geworteld in angst. 

Toch las ik in de bijbel dat volmaakte liefde alle angst verdrijft. Daar begon ik naar te verlangen. Ik wilde niet meer leven vanuit angst, ik verlangde naar vrijheid. Ik wilde me loskoppelen van die angst om verlaten te worden. Ik wilde volop leven en vooral ook genieten van het leven. 

Wanneer je er veertig jaar over hebt gedaan om een bepaalde manier van leven je eigen te maken, zit die manier van leven diep. Het is niet realistisch om dan te denken hier in no time mee af te kunnen rekenen. Het kostte mij in elk geval een lange periode van anders leren denken, nieuwe positieve ervaringen opdoen en bovenal me vasthouden aan Gods beloftes. Hij zegt in Zijn woord wel meer dan 350 keer dat wij dapper moeten zijn want Hij zal ons nooit verlaten. 

Die belofte heb ik afgelopen jaren zo vaak voor mezelf herhaald. Hoewel het natuurlijk niet nodig was heb ik God helpen herinneren aan deze belofte. Ik was als een klein kind die haar Vader aan de jas trekt en keer op keer opnieuw zegt, ‘maar U heeft het beloofd’! Zo ook laatst toen ik weer overvallen werd door die gruwelijke angst om verlaten te worden. Het overspoelde me als een tsunami en eigenlijk was ik het verleerd hoe ik hiermee om moest gaan. Toch, Godzijdank hielp Hij me herinneren aan Zijn belofte. Het voelde als een reddingsboei die me toegeworpen werd waardoor ik kon blijven drijven. Hij was erbij, ik werd niet meegesleurd door de waterstromen van het leven. 

In mij is verlatingsangst ten diepste niet meer aanwezig. 

Volmaakte liefde, Gods liefde drijft alle angst uit. 

28. DNA kit (2)

Naast me op tafel ligt de DNA kit. Inmiddels uit het plastic, dat wel…

Dichterbij dan dat lijkt het nog niet te gaan komen. Ik voel een grote aarzeling en een dikke knoop in mijn buik wanneer ik er alleen al aan denk. Hoewel mijn brein weet dat het goed is om te doen, neemt de spanning in mijn lijf toe wanneer ik bedenk dat er een mogelijke match zou kunnen zijn. 

Mensen vragen me of ik ooit gezocht heb naar mijn biologische familie. Wanneer ik dat ontken is de volgende vraag vaak: waarom niet? In die vraag denk ik vaak ook een beetje ongeloof te horen. Dat men zich niet kan voorstellen dat ik er echt nooit naar gezocht heb en zelfs geen behoefte aan heb. Toch heb ik die behoefte echt niet. Ik heb niet het gevoel dat contact met mijn eventuele biologische familie mij compleet of makkelijker gaat maken. Sterker nog, ik voorzie vooral veel moeilijkheden. Misschien zal ik eindelijk antwoorden op een heleboel vragen krijgen, dat klopt. Maar er komen tegelijk een heleboel nieuwe vragen en lastige situaties bij. Wil ik dat? Durf ik dat aan? Eerlijk gezegd heb ik daar nu helemaal geen zin in. Ik realiseer me dat dit heel bot klinkt. Het voelt ook een beetje als dat ik iets afwijs, terwijl het me nog niet eens definitief aangeboden is. Ook dit is weer een (nieuwe) ‘misschien’. 

Stel er is een match, wat moet ik daar dan mee? Kan ik het maken om te zeggen, ‘oké, ik lever mijn DNA in, maar wil verder geen contact’? In principe is die mogelijkheid er, maar zelf vind ik dat ik dit niet kan maken. Ergens vind ik dat zelfs gemeen. Ze mogen weten dat ik nog besta, maar dat is dan het enige. Mijn biologische familie blijft dan nog steeds in het ongewisse over hoe het met me gaat. Aan de andere kant is ‘iets’ misschien beter dan niets. 

Mijn grootste spanning zit ‘m in het stukje ‘dan moet ik contact met ze hebben’. Ik vind van mijzelf dat ik dat proces dan moet aan gaan. Ik kan het dus niet maken van mijzelf dat ik hen het contact met mij ontzeg. Maar dat contact is niet zo makkelijk. Zeker niet in deze tijd. Nog afgezien van alle strenge maatregelen omtrent Covid. Er is sowieso sprake van een taal- en cultuurverschil. Ook ik heb wel eens naar Spoorloos gekeken, waar dit soort situaties als de mijne gefilmd worden. Wat mij betreft worden de taal en cultuurbarriére flink onderschat. Al realiseer ik me dat iedereen hier anders in staat en elke situatie uniek is. Hoewel ik me in het Indonesische klimaat waarschijnlijk echt thuis zal voelen, vermoed ik dat dit niet zal gelden voor de cultuur en taal. Mijn manier van denken en uitdrukken zijn zo westers. Qua DNA is het dan misschien een match, mijn verwachting is dat dit dan ook de enige match zal zijn. Voor mijn gevoel is de kans op teleurstelling en frustratie aan beide kanten behoorlijk groot. 

In deze situatie komt mijn drang naar controle ook weer behoorlijk naar boven, dat geef ik eerlijk toe. Ik wil van te voren graag weten hoe ik ga reageren wanneer er een eventuele match zal zijn. Ik durf niet de stap te zetten om mijn DNA in te leveren en dan maar te zien. Ik voel me niet zo dapper. Ik ben geen Esther of Ruth die gaan en durven te zeggen ‘komen wat komen gaat’. Ik besef echt dat we als mens nooit alles in de hand kunnen houden. Ik kan niet van te voren bedenken wat er gaat gebeuren. lk kan wel eventuele scenario’s verzinnen en hoe ik hierop zou willen reageren. Voor mij is het daarin heel belangrijk wat God wil dat ik zal gaan doen en of ik er vrede mee zou hebben. Om dit allemaal te bedenken vraagt tijd en aandacht, stilte en rust. Die tijd wil ik nemen. Ik wil mijzelf niet opjagen door iets  van mezelf te verlangen waar ik nog niet aan toe ben. Ik wil niet gedwongen worden in een reactie omdat iedereen dat nu eenmaal van mij verwacht. Ik vertrouw erop dat het me op Gods tijd wel duidelijk wordt. Mijn identiteit wordt er niet anders door. Ik ben al compleet, daarvoor hoeft mijn eventuele biologische familie niet per se in beeld te zijn. 

Terwijl ik dit schrijf zie ik de bekende uitspraak van Corrie ten Boom voorbij komen: Wees nooit bang om een onbekende toekomst te leggen in de handen van een bekende God. Ik ben niet bang voor mijn onbekende toekomst. Ik vertrouw op de voor mij bekende God. Mijn hele leven, met alle ups en downs lag al in Zijn handen. Mijn toekomst past daar met gemak bij in. Zeker nu ik vanuit Zijn kracht en vrijheid leef. Omdat ik weet dat mijn identiteit in Hem ligt.

Dus, die DNA kit blijft nog even netjes in papier in mijn la liggen. Het heeft geen haast, ik wil er voor de volle honderd procent achter staan. Pas op het moment dat ik die onzekere toekomst durf te omarmen pak ik die DNA kit er weer bij. 

Het komt wel. Op Zijn tijd en op mijn tijd. 

27. Gevonden!

Ergens ten vondeling gelegd worden betekent niet per definitie afgewezen te worden. Langzaamaan valt dat kwartje en ga ik echt geloven in die uitspraak. Tegelijk voelt die wetenschap erg eenzaam en tegenstrijdig. Wanneer je het beeld van een doos met een baby’tje erin bij jezelf oproept gaat er een eenzaamheid van uit wat je niemand gunt, laat staan een baby. 

Ik vraag me regelmatig af door wie en hoe ik gevonden ben. Zou de vinder van mij al zo afgestompt zijn dat het met een vermoeide zucht mij met doos en al oppakte?  Of was de vinder zo bewogen dat ik direct uit de doos getild werd en een knuffel kreeg.  Zou dit verschil überhaupt uitgemaakt hebben voor mijn ontwikkeling?

Het fenomeen ‘vondeling’ is eigenlijk een raar iets. Ik ben gevonden, maar op zich was ik niet eens echt kwijt. Iemand heeft mij bewust op de stoep van het kindertehuis neer gelegd, in de verwachting dat ik gevonden zou worden. Dat ik gevonden werd, was geen toeval. Sowieso geloof ik niet in toeval, maar in dit geval werd ik daar met een reden neergelegd. De ‘neerlegger’ kon weten dat ik in dat kindertehuis verzorgd zou worden. 

Misschien werd ik daar wel met een liefdevol hart neergelegd. Het grootste gedeelte van mijn leven heb ik dat geloofd. Tegenwoordig denk ik wat anders. Het voelt alsof er meer kwaad in mijn start zit. Met nog meer vragen dan voorheen. Mijn hele oorsprong is één grote vraag. Ik ben wel ontstaan door conceptie, dat is natuurlijk een feit. Maar mijn eerste levensjaar en een groot gedeelte van mijn tweede zijn blanco. Niemand die mij daar iets over kan vertellen. En hoewel ik wilde dat mij dit niets zou kunnen schelen, schiet dit te pas en te onpas door mijn hoofd. Ten diepste voelt het alsof ik geen echt bestaansrecht heb. Alles wat ik nu doe of zeg komt voort uit iets vaags, iets wat ik niet weet. Hoewel het relatief gezien maar een korte tijd van mijn leven is, zijn het wel de jaren waarin de basis van mijn identiteit is ontstaan. Qua ontwikkeling had dat het begin moeten zijn van een goede hechting en veiligheid. Helaas verliep dat anders.

Nog steeds ga ik ervan uit dat ik een vondeling ben. In het hele verhaal, hoe onduidelijk dan ook, is dat de meest logische en meest voorkomende manier om een baby een betere toekomst te geven. Ervan uitgaande dat ik niet een baby’tje was van de hogere klasse in die tijd, ben ik er waarschijnlijk echt op vooruit gegaan. Er is mij een armoedig leven bespaard gebleven. Dat degene die me te vondeling gelegd heeft geld voor deze daad heeft gekregen is hem of haar zelfs gegund. Of dat nu mijn biologische moeder was of een willekeurige baby ontvoerder, het geld zal ongetwijfeld in die tijd nodig zijn geweest. Tegelijk zal er ergens iemand verlies hebben gevoeld. Of het verlies van mij opluchting of verdriet heeft veroorzaakt: iemand heeft het verlies gevoeld. Daar waar ik van oorsprong had moeten zijn is een gat ontstaan. Misschien is dat gat snel weer opgevuld door iets of iemand. Maar het gat was er wel. Net zoals er een gat zit in mijn leven. 

Een blijvend gat. Ook ik voel een verlies. Verlies van iets waar ik geen juiste beelden of gedachten bij heb. Ik voel verdriet om dat kleine in de steek gelaten meisje. Ik voel de eenzaamheid van de baby die verlangt naar de geur van haar moeder. Ik voel de kou van het kindje dat in plaats van in de warme sarong bij haar moeder, in een bedje op een koude slaapzaal werd gelegd.

Tijdens mijn burn out heb ik mij vaak ontzettend eenzaam en intens verdrietig gevoeld. Gevoelens die ik niet kon plaatsen. Mijn therapeut dwong me min of meer om terug te gaan naar dat kleine meisje. Dat was een heel pijnlijk proces. Eenzaam ook, omdat niemand in mijn omgeving dit wist of zou herkennen. Naast de eenzaamheid en verdriet kwamen er ook schaamte en boosheid vrij. Omdat mijn start zo intriest was en om de gevolgen die dit had op mijn identiteit. 

In die periode voelde ik me behoorlijk waardeloos en verloren. Geen idee wat ik verder met mijn leven moest. Ik was de weg kwijt, mijn levensweg stopte voor mijn gevoel zomaar. Ik stond ergens stil in de middle of nowhere. Ik had totaal geen idee waar ik heen moest gaan.

Het was alsof ik opnieuw een vondeling was en ik moest schreeuwen om gevonden te worden. Ja, ik had een mooi huis en een prachtig gezin. Maar had ik wel bestaansrecht? Was ik het waard om van gehouden te worden, ook in deze periode van mijn leven? Ik zakte steeds verder weg en voelde me zo verloren. 

Godzijdank, ook toen werd ik gevonden. Opnieuw. In het meest eenzaamste en donkerste moment van mijn leven hoorde ik mijn Vader zeggen ‘Jij bent Mijn geliefde dochter’. Daar, op dat moment werd mijn ware identiteit bevestigd. De geschiedenis herhaalde zich, de naam vondeling kwam eindelijk tot zijn recht. Deze keer werd ik gevonden en weet ik precies hoe en wat. 

Vragen over mijn ontstaan blijven rondzoemen in mijn gedachten. Ik heb nog steeds niet alle antwoorden over mijn afkomst. Ik zal ze waarschijnlijk ook nooit krijgen. Maar ik heb geen vragen meer over mijn bestaansrecht of identiteit. 

Ik ben gevonden en heb gevonden. 

Ik ben een echte vondeling. 

26. Dankbaar

Vandaag vieren we in veel christelijke gemeentes ‘dankdag’. Van oorsprong een moment om stil te staan bij het slagen van de oogst en God hiervoor te danken. 

Van huis uit heb ik geleerd dankbaar te moeten zijn. Dankbaar in alles. Er werd altijd geprobeerd naar het positieve van een situatie te kijken. Was ik gevallen, dan moest ik dankbaar zijn dat ik niks gebroken had. Toen onze hond dood ging, moest ik dankbaar zijn dat hij zo lang bij ons was geweest en dat ik zoveel plezier met hem heb gehad. Wanneer ik ziek was, moest ik dankbaar zijn dat ik niet zo ziek was dat ik naar het ziekenhuis moest. En ga zo maar door. Er was altijd wel een reden tot dankbaarheid te vinden. 

Het gevolg is dat ik ondanks alles heb geleerd om positief in het leven te staan. Hier ben ik mijn adoptie-ouders echt dankbaar voor. Ik weet uit ervaring dat het leven moeilijk kan zijn. Er gebeuren zoveel onrechtvaardige dingen. In mijn leven, net als in jouw leven, of dat van je buurman, familielid of vriend. Ik ben ervan overtuigd dat het zoeken naar dingen, situaties waar je dankbaar voor kan zijn je helpt om door te gaan met je leven, zonder moedeloos te worden. 

Vroeger was de oogst vast niet altijd goed gelukt, toch vierde men ook toen dankdag. Misschien dankte men God toen wel dat men een dak boven hun hoofd had, of waren ze dankbaar voor nieuw leven op de boerderij of in het gezin. Soms is het zoeken naar dingen waar je dankbaar voor kan zijn. In sommige fases van je leven kan je de dingen die goed gaan op slechts één hand tellen en dat is zwaar. Tegelijk zet mij dat altijd stil bij mijn afhankelijkheid van God. Dan kan ik dankbaar zijn voor de wetenschap dat Hij in mij leeft en mij elke dag weer moed geeft om verder te gaan. Hij is Degene die mij helpt met een dankbare blik de wereld in te kijken. 

Leven met een dankbaar hart kan moeilijk zijn, het leven kan ons soms zo onderuit schoppen. Geloof me, ik weet hoe dat voelt. Toch is het niet onmogelijk en wanneer het lukt zal het je tot zegen zijn. 

Paulus roept ons op in Filippenzen 4: 6 dat we over niets bezorgd moeten zijn, dat we alles aan God mogen vragen en dat dat vragen gepaard moet gaan met dankzegging. Dat is nog eens een uitdaging. Ik lees in een uitleg over dit vers dat Paulus hierin oproept om te bedenken hoe God Zijn zegen in jouw leven heeft laten zien. Waar zijn we dankbaar voor? Hoe heeft God Zijn trouw aan ons bewezen tijdens eerdere situaties? 

Wanneer we zoeken naar momenten waar we Gods aanwezigheid mochten ervaren kunnen we hiervoor onze dank uitspreken. Het helpt ons te herinneren hoe trouw God is. Altijd. In een hart dat gevuld is met dankbaarheid is ook minder ruimte voor zorgen en twijfel. Hoewel ik opgevoed ben met een dankbare levenshouding, moet ook ik regelmatig echt zoeken naar redenen tot dankbaarheid. 

In de aanloop naar deze dankdag hielp het me zo om uit mijn huidige situatie te stappen. Als gezin leven wij momenteel in een pittige tijd, soms is dat om moedeloos van te worden. Toen ik door kreeg dat het bijna dankdag was, greep ik die mogelijkheid vast om me te richten op de mooie dingen van het leven, zodat ik vandaag ook iets heb om echt dankbaar voor te zijn. Wanneer ik terugkijk op mijn leven ben ik ook echt dankbaar voor zoveel dingen. Ik zie in zoveel situaties Gods hand, Zijn aanwezigheid en Zijn zegen. Zijn oog rust op mij. 

In deze pittige periode ben ik zo dankbaar voor vriendschappen. Voor mijn vriendinnen die biddend en bemoedigend om mij heen staan. Ik ben dankbaar voor de zegen die voortvloeit uit deze blog. Toen ik hier in februari mee begon had ik niet verwacht dat ik over een paar weken op de radio mijn verhaal mag doen. Ik ben dankbaar dat God mijn gebroken leven herstelt en gebruikt. 

Vanavond, wanneer ik in de kerk zit en dankbaar ‘moet’ zijn, zullen deze dingen door mijn hoofd weerklinken. En zal ik God prijzen en aanbidden met een dankbaar hart. 

25. Een DNA kit

Zojuist heb ik een DNA kit besteld. Hiermee ben ik in staat om mijn DNA op te sturen naar een DNA bank waar geboorte moeders hun DNA hebben ingeleverd in de hoop dat er een match gevonden wordt. Even voor de duidelijkheid, het is de hoop van die geboortemoeders, niet de mijne. En hoewel ik al enige tijd de beslissing heb genomen om dit te gaan doen, raak ik, door het daadwerkelijk bestellen, aardig van slag. 

Onwillekeurig doet het me blijkbaar toch een heleboel. Wanneer ik er aan denk, versnelt mijn hartslag en kruipt mijn ademhaling omhoog. Ik voel een knoop in mijn buik ontstaan. 

Want wat als er daadwerkelijk een match ontstaat? Wat moet ik dan doen, wat wordt er dan van mij verwacht? Dan heb ik ineens biologische familie, wat moet ik daar nu weer mee?

Ik weet, ik stel vragen die ik nu niet kan beantwoorden, ik heb nog niet eens mijn DNA afgenomen en opgestuurd. Maar toch, de vragen zoemen wel door mijn hoofd. 

Een tijd geleden werd bekend dat er grote kans bestond dat mijn adoptie niet eerlijk geregeld was. Ik behoor tot de groep van één van de eerste geadopteerden uit Indonesië in de jaren ’70. Er is in die periode veel gesjoemeld met de papieren. Men wilde zo snel mogelijk en zoveel mogelijk adopties afronden. Dat leverde geld op. Men durft te beweren dat ze toentertijd zelfs zo ver gingen dat er baby’tjes ontvoerd of gestolen werden. Om hen vervolgens bij een kindertehuis waar adoptie plaatsvond aan te bieden. Daar kreeg men geld voor. Zowel de babyaanbieder als de adoptieaanbieder. Beide hadden belang bij baby’s, want iedereen had belang bij geld. 

Het gevolg is dat alles wat er in mijn adoptiepapieren staat geen waarheid hoeft te zijn. Er staan gebeurtenissen en namen opgeschreven, maar die kunnen gewoon ter plekke verzonnen zijn. Het is goed mogelijk dat een groot gedeelte van mijn eerste paar maanden één grote leugen is. 

Het kan dus ook zijn dat mijn geboortemoeder überhaupt nooit afstand van mij heeft willen doen. Misschien is het hele verhaal van de bont en blauwe vondeling een verzonnen iets. Bedacht om een zielig verhaal op te kunnen hangen voor westerse mensen die zo graag een kind wilden. 

Toen ik hier achterkwam en het weinige wat ik wist over mijn afkomst op losse schroeven kwam te staan heeft me dat wel wat verwerkingstijd gekost. Vervolgens realiseerde ik me dat het mogelijk is dat er mensen in Indonesië zijn die mij missen, die mij misschien zelfs al jarenlang zoeken. Misschien was daar in 1976 een jonge moeder die ineens ontdekte dat haar geliefde dochtertje weg was. Misschien heeft ze in paniek rondgerend omdat het ergste wat haar kon overkomen is gebeurd. Misschien loopt er nu wel een moeder in Indonesië rond met een groot gat in haar hart vanwege het gemis van haar kind. Zij vraagt zich af hoe ik eruit zie, net als dat ik bij elke Indonesische vrouw van rond de zestig me afvraag of zij misschien mijn geboorte moeder is. Opnieuw een heleboel ‘misschiens’.

Zelf heb ik nooit de behoefte gehad om mijn biologische familie op te zoeken. Regelmatig keek ik naar Spoorloos maar voor mij geen zoektocht naar mijn roots hoor. Want stel je vindt ze, wat dan? Er is een taalbarrière en een mega kloof tussen beide culturen. Echt veel te ingewikkeld wat mij betreft.

Ik heb dan ook lang getwijfeld of ik mijn DNA zou inleveren. Ik wil het liever niet, maar te bedenken dat er ergens een moeder al dikke veertig jaar in het ongewisse leeft, dat doet me wel wat. Zelf ben ik ook moeder.  Als ik in haar schoenen zou staan, zou ik op zijn minst willen weten dat mijn dochter nog leeft en goed terecht is gekomen. Want zo is het wel. Ik kan van alles van mijn opvoedsituatie vinden en er zijn dingen absoluut fout gelopen of hadden eigenlijk niet mogen gebeuren. Maar ik ben nu wel een gelukkige vrouw. Ik ben gevonden, geliefd en gezond. Wanneer ik eigenlijk een ontvoerde baby was, dan gun ik mijn geboorte moeder de wetenschap dat ik nog leef. Dát is de reden dat ik toch mijn DNA ga inleveren. 

Tegelijk maakt me dat dus wel onrustig. Want wat als mijn geboortemoeder inderdaad nog leeft en me zoekt, wat wil ze dan? Is de wetenschap dat ik goed terecht gekomen genoeg voor mijn biologische familie? Of willen ze meer, zoals een ontmoeting of misschien zelfs een echt relatie? Daar heb ik geen behoefte aan zeg ik nu. Maar ben ik dan niet te hard? Ik weet het allemaal niet. Ik heb ook besloten dat ik het allemaal wel zal zien. Dat besluit is weliswaar met mijn hoofd genomen, dus moet nog landen in mijn hart…

Morgen komt de DNA kit, misschien wacht ik er nog even mee om mijn DNA werkelijk af te nemen en op te sturen. Maar misschien kan ik het ook maar beter wel direct doen. De vragen zullen voorlopig nog wel blijven rondzoemen in mijn hoofd. Daar zal een eventuele match van DNA onderzoek echt niet veel aan veranderen. 

Zoals gezegd; We zullen het  allemaal wel zien. Welja we zullen wel zien;). 

24. Breinbrekers

Heel regelmatig zou ik mijn brein even willen uitzetten. Gewoon een knopje wat de verbinding met wat dan ook verbreekt. Geen input, geen output, gewoon stil…

Alleen zijn. Niet nadenken over waarom ik hier ben of hoe ik hier ben en wat ik hier überhaupt doe. Geen gedachten over ontstaan, ontwikkeling en de invloed van gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Er zit zoveel giswerk bij. Zoveel vragen, maar geen echte  antwoorden. Soms voelt het alsof mijn brein letterlijk breekt. 

Momenteel heb ik veel hoofdpijn, eigenlijk de gehele dag door. Dat kan natuurlijk vele oorzaken hebben, maar ook hierom zou ik mijn hoofd graag even willen uitzetten. Door verschillende processen waar ik in zit ben ik veel bezig met hoe mijn ontstaan en afkomst van invloed zijn op wie ik nu ben. Het is bizar hoe mijn gedachten zo ineens een eigen leven kunnen gaan leiden. Een beeld, een zin of een ontmoeting kan me zomaar raken en mij dagen achter elkaar hierover aan het denken zetten. 

Laatst zag ik een moeder haar baby troosten. Dat beeld zette me compleet stil, het raakte een stil verborgen verdriet en gemis in mij aan. Het is bizar hoe dit soort dingen werken. Dat bepaalde gevoelens in je lichaam en ziel opgeslagen worden en bij tijd en wijle naar boven kunnen komen. Ergens is het heel sneaky en misschien wel logisch, maar het overvalt me en ik kan er aardig door van slag raken.

Wat me in dit beeld raakte was het beeld van de liefdevolle troost die de moeder aan haar kindje gaf én de manier waarop het kindje dit ontving. Het intens verdrietig huilen veranderde in een ontspannen zucht toen de moeder haar kindje oppakte en troostte. Het straalde aan alles liefde, veiligheid, rust en vertrouwen uit. Dat was wat me ten diepste raakte. Dat is wat ik ten diepste heb gemist. Dat is waar ik nog steeds zoveel moeite mee heb. En dat is waar ik nog steeds zo naar verlang. Een plek om te zijn, een plek waar ik veiligheid, rust en vertrouwen ervaar. 

Voor een goede ontwikkeling van je zijn heeft elk mens het nodig om juist in die allereerste momenten van je bestaan het gevoel van veiligheid, liefde en troost te mogen ontvangen. Juist in die periode kan je dat onbevangen ontvangen. Wanneer je dat als baby ontvangt en ervaart ontstaan er in je hersenen de juiste verbindingen waardoor jij die gevoelens op latere leeftijd herkent en ook weer door kan geven. Het is bijzonder hoe dit werkt en ook zo ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van je eigen identiteit.

In mij leeft een onrust, want hoewel ik best een gevoelsmens ben, kost het mij ontzettend veel moeite om vanuit gevoel te leven. Het is continu een denken van wat ik zou moeten voelen en wat ik zou willen voelen. Totdat ik iets zie, iets proef of ruik waar ik ineens een emotie bij voel. Ik kan het niet altijd plaatsen en dat levert weer denkwerk op. 

Wanneer ik denk aan die moeder die haar kindje troost, voel ik een verdriet. Ik heb verdriet om het kleine kindje in mij dat nooit die troostende liefde van mijn biologische moeder heb gevoeld. Ik voel verdriet om iets wat er niet was en ik mis die liefdevolle troost waardoor ik me veilig voel. Terwijl ik al die dingen voel, roept mijn brein dat het geen zin heeft. Dat ik me niet moet aanstellen, dat het wel meevalt, dat ik niet iets kan missen wat ik niet heb gehad. Toch weet ik dat het een wezenlijk gemis is en dat het impact heeft gehad en nog steeds heeft op wie ik ben en hoe ik in het leven sta. Ik heb mezelf aangeleerd bepaalde dingen te voelen. Ik heb geleerd dat ik op bepaalde manieren moet reageren. Dat het goed is om een verdrietig iemand te troosten door een hand op de schouder te leggen of zelfs een knuffel te geven. Dat gaat me ook steeds natuurlijker af. Mijn gezin was en is een prachtige, liefdevolle oefen- en leerplek. Ik ben wat dat betreft echt een gezegend mens. God wist precies wat ik nodig had om te genezen. 

Toch blijven dit soort dingen breinbrekers voor mij. De vragen blijven als een malle achter elkaar omhoog ploppen, waarbij ik ook nog eens wat voel of zou moeten voelen. Wat ik dan weer niet precies weet waardoor er weer nieuwe vragen ontstaan. 

Dus, geef mij maar een brein aan- en uitknop. Dat lijkt me wel heerlijk!

23. Ode aan mijn schoonmoeder.

Vandaag vierden we de zeventigste verjaardag van mijn schoonmoeder. Iedereen kent natuurlijk de grappen over hoe je schoonmoeder een drama kan zijn. Dat je die er maar op de koop toe bij ontvangt en haar voor lief moet nemen. Het is dat je zoveel van je partner houdt. Enzovoorts…

Bij mij is dat anders. Het is alsof God dacht dat ik na twee moeders die mij niet konden geven wat ik nodig had, nu dan toch soort van recht had op een moeder die wel goed voor mij zou zijn. 

Het is bijzonder dat de derde moeder die ik kreeg de naam moeder echt eer aan doet. Dat zij precies kon geven wat ik nodig had als vrouw en moeder. Liefdevolle aandacht en betrokkenheid. Zij stelde mij vragen over hoe het met mij ging en dan ook te willen horen hoe het echt met me ging. Zij geeft mij telkens weer het gevoel blij met mijn aanwezigheid te zijn, zonder er iets voor terug te hoeven. Ik mag bij haar gewoon zijn zoals ik me op dat moment voel.

Uiteraard snap ik dat ik als kind ook wel wat anders nodig had dan in de leeftijdsfase waarin ik me nu bevind. Toch zijn er ook overeenkomsten. Zo heeft elk mens in elke leeftijdsfase onvoorwaardelijke liefde nodig. Het gevoel dat, ook al doe je iets ongelofelijks stoms, de ander toch van je blijft houden en naast je blijft staan. Ik weet nog dat mijn schoonmoeder één van de eerste was die toen ik in mijn burn out terecht kwam, me liet weten dat het haar niet verraste en me verzekerde dat door nu echt mijn tijd te nemen alles goed zou komen. En bovendien dat het menselijk en oké was dat dit gebeurde. Wat was haar reactie een opluchting voor mij. Ten diepste was ik bang geweest voor veroordeling. Een reactie waaruit zou blijken dat zij me niet goed genoeg vond voor haar zoon en kleinkinderen. Mijn angst was zo onterecht. Nu schaam ik me bijna voor mijn angst van toen. Ik had beter kunnen weten.

Wat maakt dat mijn schoonmoeder liefde voor mij voelt en blij met mij is? Ik vraag me dat regelmatig af. We hebben geen bloedband, alleen een handtekening als getuige op mijn huwelijksdag, waardoor zij mijn schoonmoeder werd. Voor mij is zij een onbetaalbaar kado van God. De liefde, zorg en betrokkenheid die ik van mijn schoonmoeder krijg heeft mijn vertrouwen in het moederschap weer hersteld. Al voordat ik zelf kinderen kreeg, ontdekte ik door de houding van mijn schoonmoeder hoe moederliefde ook kan zijn. 

Vroeger heb ik nooit kinderen gewild. Ik wist dat ik door mijn eigen ervaringen niet zou kunnen weten hoe ik een goede moeder zou moeten zijn. Ik wist ook dat elk kind recht heeft op een goede moeder. Dat samen maakte dat ik al jong besloot geen kinderen te hoeven. Ondanks dat, begon het tijdens het tweede jaar van ons huwelijk toch wel wat te kriebelen. Inmiddels had ik toen een nichtje en was er een tweede kleinkind van mijn schoonmoeder op komst.

Mijn schoonmoeder is moeder van vier jongens. Ik heb haar in die periode gevraagd hoe ze het heeft klaargespeeld om moeder van vier rouwdouwers te zijn. Voor hen te zorgen en hen op te voeden. Haar antwoord was simpel, gewoon liefhebben. Eerlijk gezegd voelde dat voor mij té simpel. Maar het heeft me wel aan het denken gezet. Soms is een simpel antwoord genoeg. Ik heb de neiging om veel na te denken. Om van tevoren zoveel mogelijk dicht te timmeren om mogelijke lastige scenario’s te voorkomen. 

Ik ben enorm dankbaar voor de levenshouding van  mijn schoonmoeder. ‘Gewoon liefhebben’. Daarmee waren niet al mijn issues rondom moederschap opgelost. Maar het heeft me zeker moed gegeven om het moederschap aan te gaan. Dat is iets waar ik eeuwig dankbaar voor ben. 

Dus vandaag deze blog; mijn ode aan mijn schoonmoeder. Als dank, voor alles wat ik van haar leer en alle liefde die ik van haar ontvang, elke keer opnieuw. Onverdiend en onbetaalbaar.

Lieve schoonmama: Ik ben blij met jou in mijn leven! Dankjewel voor wie je bent.

22. Bindend advies

De anderhalve meter afstandsregel is sinds kort geen bindend advies meer, geen maatregel waar we ons aan moeten houden. Alleen nog maar een advies. Het lijkt nog steeds verstandig om anderhalve meter afstand van elkaar te houden. 

Bij het woord bindend, hoor ik binding, verbinding. Terwijl dat nou precies het tegenovergestelde was waar die anderhalve meter afstandsregel voor zorgde. 

Voor mij persoonlijk is verbinding een verwarrend iets. Ik verlang ernaar en tegelijk vind ik het vreselijk spannend en onhandig. Ik verbind me niet makkelijk aan mensen. Bij mij ontstaat direct een negatief gevoel wanneer ik het woord verbinding hoor. Alsof ik al vastgebonden was en de banden of touwen nog eens extra aangetrokken worden. Het beneemt me, soms letterlijk, de adem en ik voel mijn lijf verstijven, alsof er iets onaangenaams gaat gebeuren. 

Die anderhalve meter afstand vond ik eigenlijk wel prettig. Bij lichamelijk contact is mijn eerste reactie verstijven en wegduwen. Inmiddels heb ik geleerd om niet aan die eerste reactie toe te geven, en kan ik op een natuurlijke manier echt wel terug knuffelen. (Hierbij denk ik aan gezin, familie en aan goede vriendinnen). Maar toch, telkens hou ik me in om niet toe te geven aan mijn eerste natuurlijke behoefte. Die uiteindelijk een vorm van zelfbescherming is, dat realiseer ik me goed hoor. 

Misschien zou je verwachten van iemand als ik, die als klein kind te weinig knuffels heeft gehad, dat ik dit tekort in zou willen halen. Dat ik behoefte zou hebben aan zoveel mogelijk contact, juist omdat ik er te weinig van heb gehad en mijn lijf dat ongetwijfeld gemist heeft. Maar ik denk dat  ik een onbewust aangeleerd gevoel heb dat contact risico’s met zich mee brengt. Lichamelijk contact heeft gevolgen. Als pasgeborene heb ik al ontdekt dat ik na lichamelijk contact afgewezen werd. En hoewel ik dat hoogstwaarschijnlijk niet bewust heb meegemaakt, merk ik dat ik dit toch onbewust mijn hele leven met me meedraag. 

De verbinding met iemand aangaan heeft gevolgen. Hoe je het ook wendt of keert. Het kan positief zijn en een diepe vriendschap opleveren. Maar het kan ook een afwijzing, een teleurstelling opleveren. Wat weer een kras op je ziel oplevert. Een bevestiging van het gevoel van angst om afgewezen te worden. Hebben we die angst niet allemaal in meer of mindere mate.

Ik, als vondeling heb die angst vanaf mijn allereerste begin. Ik noem dit niet om zielig gevonden te worden, maar wel om te laten weten dat dit meespeelt. Voor mij is het echt een continue uitdaging waar ik mee leef. Het voelt alsof ik altijd op mijn hoede moet zijn, ik bén op mijn hoede. Ik ben telkens aan het aftasten in hoeverre het zin heeft om de verbinding aan te gaan. Wat levert me dat op en wat kost me dat, waarbij de angst van ‘wat gaat het me misschien op de lange termijn kosten’ ook weer om de hoek komt kijken.

Wanneer ik om me heen kijk zie ik zovelen met mij worstelen met deze uitdaging. De maatschappij roept ons op om continu voor jezelf te kiezen, voor jezelf op te komen, uit te blinken en de ruimte te pakken die je verdient. Helaas gaat die ruimte vaak ten koste van een ander. 

Afgelopen anderhalf jaar had ik een afgebakend stuk van anderhalve vierkante meter tot mijn beschikking. Zo heb ik dat tenminste ervaren. Ik vond dat prettig, veilig en fijn. En ik weet dat dit botst met veel gevoelens en behoeftes van anderen om mij heen. Maar voor mij was het helder, ik hoefde niet na te denken of en wat ik met die ander moest. Ik hoefde minder na te denken over welke gevolgen mijn reactie op de ander zou hebben voor de ander. Ik gun niemand een afwijzing, ik wil niemand afwijzen. Ik weet hoe het voelt om levenslang afgewezen te worden. Wanneer ik iemand afwijs heeft dat gelukkig veel minder impact, maar toch, het blijft een afwijzing. Ook al is die afwijzing dan niet bindend, het nodigt niet uit tot verbinding. Soms ben ik zo overprikkeld dat ik nauwelijks nog verbinding kan maken met mezelf, laat staan met die ander. Dan kost contact me zoveel, dan slurpt het energie en heb ik die anderhalve meter afstand gewoon nodig. 

Toch geloof ik niet dat wij mensen gemaakt zijn voor een leven zonder verbinding. De bevolkte plekken op aarde zijn niet geschikt voor een anderhalve meter maatschappij. God schiep de mens niet om afstand van elkaar te houden. Ik geloof voor honderd procent dat God mensen voor elkaar heeft gemaakt. Hij zelf wil een intieme relatie met ons én Hij wil dat wij een liefdevolle relatie met elkaar hebben. Ik realiseer me dat lichamelijk contact in bijvoorbeeld de vorm van een knuffel daar bij hoort. 

Dus ik oefen, ik bid, ik geef én ik ontvang. Ik heb een groot verlangen om Gods liefde te delen en tot zegen te zijn. Ik realiseer me dat in verbinding staan met die ander een prachtig middel van God kan zijn. Het zou mijn bindend advies zijn om vooral te blijven oefenen. Dat betekent dat de mogelijkheid inderdaad bestaat dat ik opnieuw afgewezen kan worden. Maar de mogelijkheid bestaat ook dat ik er een prachtig mooi contact aan overhou. 

Moeilijk? Ja!  Onmogelijk? Nee!

21. Een slapend kind

Heb je wel eens een slapend kind gezien? Of het nou je pasgeboren neefje is, je buurmeisje, of je eigen 21 jarige dochter, hoe het kind slaapt laat veel zien van hoe het zich voelt. 

Wanneer de adem vertraagt, de ogen worden gesloten en de spieren verslappen dan weet je dat het zich veilig voelt. Het voelt zich ontspannen genoeg om op die plek in slaap te kunnen vallen. Ikzelf vond het altijd heerlijk om naar mijn slapende kind te kijken. Op de één of andere manier vertraagde mijn adem dan ook altijd. Het was alsof ik, als altijd oplettende moeder, even mijn alertheid los kon laten. Ook ik kon me even ontspannen. 

Een paar week geleden zat ik in de trein met mijn 21 jarige dochter en zij viel in slaap. Opnieuw, na zovele jaren kijk ik weer eens naar mijn eigen slapende kind. En terwijl ik haar zie slapen denk ik na over hoe onze levens aan elkaar verbonden zijn. Ik denk terug aan die eerste keer dat ik haar mocht bewonderen. Vlak na de bevalling, wij beide uitgeput van 36 uur hard werken. Wat was ik blij dat ik er een meisje uitgeperst had. Ik weet nog dat ik toen dacht en dat wat ik toen voelde zo overweldigend was. Die eerste liefde, die verbondenheid van toen is wat mij betreft alleen maar dieper geworden. 

Terwijl ik mijn oudste tegenover me zie slapen realiseer ik me dat mijn geboorte moeder dat nooit heeft meegemaakt. Ze is mijn ‘geboorte moeder’, mijn ‘biologische moeder’. Maar dat is de enige verbondenheid die ik voel met haar. Zij heeft mij eruit geperst en daarna weer weggelegd. Niet eens weggegeven, maar letterlijk weggelegd. Het is voor mij de grote vraag of dat uit liefde of uit wanhoop was. Heeft zij mij überhaupt ooit slapend gezien? Ben ik ooit ontspannen in haar armen in slaap gevallen, wetende dat ik veilig was? Of was er vanaf het begin van mijn ontstaan al onrust omdat ik eigenlijk niet had moeten ontstaan? Leverde de zwangerschap alleen al zoveel stress op dat ik zelfs in de warme buik van mijn geboorte moeder me onrustig voelde?

Het zijn allemaal vragen waar ik geen antwoord op heb en ook nooit zal krijgen. Maar het zijn wel vragen die invloed hebben gehad op mijn identiteitsontwikkeling. Mijn hele ontstaan is voor mij één groot vraagstuk onderverdeeld in vele subvragen. Er zijn verschillende ontstaan scenario’s mogelijk en misschien maakt dat het allemaal wel zo lastig. Er is nergens duidelijkheid over maar de woorden vondeling, kindertehuis en geadopteerde maken dat in alle mogelijke scenario’s die ik kan bedenken, sprake zal zijn geweest van onveiligheid, spanning en ongewenstheid.

Ikzelf ben nooit een goede slaper geweest, misschien zit ’t in mijn genen, of misschien komt het door mijn voorgeschiedenis. Misschien is mijn verhaal wel dat ik als baby ontspannen in de armen van mijn geboorte moeder in slaap viel en wakker werd op het moment dat ik op de trappen van het kindertehuis gevonden werd. Misschien is daardoor een slaaptrauma ontstaan. Misschien…

Toch, ondanks alle vragen, alle onduidelijkheden en misschiens zit er ergens één zekerheid. In alle chaos van mijn leven weet ik zeker dat ik veilig geborgen was in Gods hand. Die zekerheid voel ik nog niet zo lang hoor. Ik heb mijn veiligheid en rust altijd laten afhangen van mensen om mij heen of geprobeerd die veiligheid op de één of andere manier zelf te creëren. 

Toch kan ik inmiddels met stellige zekerheid zeggen dat, ook al was ik door mijn biologische ouders misschien niet gewild; mijn hemelse Vader heeft mij altijd gewenst. Ik paste al lang voor mijn bestaan in Zijn plan. Is dat uiteindelijk niet het allerbelangrijkste? Ik ben innig geliefd door die Ene. De manier hoe Hij naar mij kijkt bepaalt wie ik ben. In aardse begrippen ben ik een vondeling. Aan de kant geschoven door de omgeving waar ik geboren ben. Ik heb geen enkele bloedband met mijn adoptiefamilie en de bloedband met mijn biologische familie doet er maar weinig toe. Maar door het bloed van Jezus was ik altijd al Gods kind. Ik maak deel uit van Zijn gezin en zal dat ook altijd blijven. Bijzonder hoe belangrijk die bloedband dan toch is. Wat een belofte en wat een geruststelling. Het landt eindelijk van mijn hoofd in mijn hart. 

Tegenwoordig slaap ik steeds beter. Het is zoals David zegt in zijn psalm:

In vrede ga ik liggen en slaap terstond, U HEER, U alleen laat mij leven, ongestoord en vol vertrouwen. (Psalm 4: 9).