40. Opgeheven armpjes vol vertrouwen

Afgelopen weekeind heb ik voor de tweede keer hetzelfde schrijnende verhaal gehoord over onrecht en lijden. Tegelijk bevatte het zoveel hoop dat ik het graag deel. 

Het ging over een klein meisje in Peru, een baby’tje van nog maar 9 maand. Zij kwam op die leeftijd terecht in een kindertehuis en had bij wijze van spreken al een heel leven achter de rug. Haar moeder was een prostituee. En dit kleine meisje werd al als klein baby’tje meegenomen naar de adressen waar haar moeder heen ging om te werken, met alle gevolgen van dien. Dat kleine getraumatiseerde meisje kwam ‘gelukkig’ in een kindertehuis terecht. 

Dit kindertehuis wordt geleid door een echtpaar dat ontzettend bewogen is voor de allerkleinste misdeelden in deze wereld. Ze vangen juist die kleine verschoppelingen op om ze te kunnen overladen met liefde en aandacht die deze kleintjes verdienen en nodig hebben. Helaas is juist bij deze kleintjes al zoveel vertrouwen beschadigd. Zo ook bij het kleine meisje dat met negen maanden oud bij hen terecht kwam. Ze kon en durfde met niemand echt contact te maken, niemand mocht haar troosten of knuffelen. Ze bleef in het kindertehuis en ze bleef bakken vol met liefde en aandacht krijgen. Langzaamaan herstelde dit kleine meisje. De behoefte aan liefde en bescherming was groot. En op een gegeven moment was de ‘vader’ van het kindertehuis met de kinderen buiten aan het spelen. ‘Ons’ kleine meisje kon inmiddels lopen en ineens stak zij vol vertrouwen de beide armpjes omhoog, naar die vader. Ze wilde voor het eerst opgetild worden. 

Je begrijpt vast waarom juist dit verhaal me zo raakt. Ik herken me zo in dat kleine meisje. Ook ik ben een meisje dat waarschijnlijk al heel veel mee had gemaakt toen ik als baby’tje in een kindertehuis terecht kwam. Bont en blauw in de portiek van een kindertehuis, een verschoppeling, misschien wel letterlijk. Afgedaan door de maatschappij, een hopeloze situatie vanuit de mens gezien. 

Toch zien we de hoop die opbloeit, op die momenten dat het kleine meisje in Peru, en ik vele jaren eerder in Indonesië in een kindertehuis opgenomen werden. Wat ik inmiddels heb gelezen over ‘mijn’ kindertehuis is dat het gerund werd door zusters waarvan de harten gevuld waren met liefde en bewogenheid voor de kinderen waar zij voor mochten zorgen. Het feit dat ik geen baby meer was toen ik naar Nederland ging, kwam door de liefdevolle bescherming die men mij schonk. Ik huilde veel in het kindertehuis, de enige die mij stil kon krijgen was de directrice. Op de één of andere manier werd ik alleen bij haar echt rustig. Hierdoor wilde men mij alleen laten vliegen samen met die directrice. Het duurde een jaar voordat de directrice zelf de vlucht naar Nederland kon ondernemen. Tijdens die vlucht nam zij mij mee. 

Ik weet niet wat de bron was van de liefdevolle harten van de zusters in Indonesië. Ik weet wel Wie altijd de bron is van het verlangen naar liefde en gerechtigheid. 

De eerste keer dat ik het verhaal hoorde over dat kleine meisje uit Peru sloot ik mijn hart ervoor af vanaf het moment dat ik hoorde dat het slechts een baby’tje was. Ik kon het gevoel van herkenning en onrecht niet aan. De tweede keer wist ik dat ik het hele verhaal moest horen én laten doordringen in mijn hart en heb ik gehuild vanwege het onrecht én de wetenschap dat dit soort schrijnende verhalen in bepaalde gedeeltes van de wereld één van de velen is. En werkelijk, mijn hart breekt wanneer ik bedenk hoeveel kinderen nu nog steeds in de prostitutie terecht komen en dat dit van generatie op generatie kan overgaan. Voor velen is een leven in onrecht en lijden helaas gewoon. 

Tegelijk voel ik de hoop van de succesverhalen zoals die van dat kleine Peruaanse meisje en dat van mij. Ook op de meest donkere plekken in de wereld kan Gods licht schijnen en zorgt Zijn liefde voor een nieuw en hoopvol leven. 

Net zoals dat kleine Peruaanse meisje de aandacht vroeg van de ‘vader’ van dat kindertehuis en vol vertrouwen haar beide armpjes omhoog stak. Zo kijk ik regelmatig vol vertrouwen omhoog naar mijn hemelse Vader. Ik vraag aandacht voor alle hopeloze situaties, ver weg én dichtbij. In het vertrouwen dat Hij op die donkere plekken zal schijnen. Om daar Zijn liefde en licht te laten zien. Zodat genezing en herstel kan plaatsvinden. Zodat situaties, plekken en mensen die door de wereld opgegeven zijn weer situaties, plekken en mensen van hoop zullen worden. 

Laten we nooit de hoop verliezen of onze ogen sluiten voor het onrecht en lijden in deze wereld. Maar laten we blijven proberen om de boodschap van hoop en liefde te delen, aan ieder die dit nodig heeft. Ver weg én dichtbij. 

ps. Mocht je meer willen weten over dit kindertehuis in Peru en het werk wat ze doen ga dan naar hun site https://www.pandevida.nl/

39. My favorite memory

Afgelopen week werd mij gevraagd om één van mijn mooiste herinneringen te delen op papier. In het engels weliswaar. Het lukte me daardoor niet zo goed om met de juiste woorden mijn favoriete herinnering te beschrijven. Mooie reden om hier even uitgebreid over te schrijven.

Na een intens zware bevalling van zesendertig uur lag ze eindelijk op mijn buik en keek ze me aan met haar donkere ogen. Dat eerste moment dat ik haar zag en kon ruiken, haar huidje kon voelen en eindelijk kon zien wie ik al die maanden onder mijn hart had gedragen, dat was magisch. Ik kon me eerder nooit voorstellen dat je als vrouw je hele bevalling kon vergeten op het moment dat je je kindje in de armen had. Maar ik heb het inderdaad zo ervaren, het is echt waar. Hier heb ik het allemaal voor over gehad en ik zou het met liefde weer doen. 

Ik weet nog dat ik me die dagen erna regelmatig heb afgevraagd tot welk moment mijn biologische moeder mij heeft kunnen vasthouden. Heeft ze me ooit gezien? Of werd ik direct bij haar vandaan gehaald? In die tijd was het een drama wanneer een jong ongehuwd meisje een kindje baarde. Maar misschien heeft ze me een paar week kunnen houden, misschien zelfs wel een jaar. Misschien werd ik aan het begin van mijn leven toch gekoesterd, heeft ze voor mij wiegenliedjes gezongen, maar werd het op termijn onmogelijk om me te houden. 

Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me hoeveel vrouwen dit lezen die (nog) geen moeder zijn en wel die diepe wens hebben om moeder te zijn. Het voelt zo onrechtvaardig wanneer ik bedenk dat ik nooit moeder heb willen worden. Althans, het liet me altijd onverschillig. Het was niet een ‘pertinent nooit’. Meer een ach, het hoefde niet van mij. Ik wist uit ervaring wat er allemaal mis zou kunnen gaan. Eerlijk gezegd dacht ik net zo over het huwelijk. Want zowel wat betreft het huwelijk als in het opvoeden heb ik zelf gezien hoe fout dat kan gaan en welke verdrietige gevolgen dat kan hebben. Waarom het risico nemen dat iets mis gaat, dat levens kapot zouden gaan als je het ook gewoon kan ontwijken door niet te trouwen en zeker geen kinderen te krijgen. 

Wanneer ik terug denk aan dat eerste fysieke contact met mijn dochter, dan zie en voel ik direct het beeld en alle verschillende gevoelens van dat moment weer door me heen gaan. Het is bizar hoe sommige momenten van je leven je altijd bij blijven. Zo intens kan het zijn. Haar rode hoofdje van het harde werken, die blik van haar prachtige donkere ogen en dat zwarte haar, een beeld om nooit te vergeten. 

Daarnaast een mix van gevoelens. Opluchting en blijdschap, omdat ze er eindelijk was en vooral ook omdat het een meisje was! Ik zag mezelf nooit als een jongensmoeder, geen idee hoe ik dat had moeten doen. Het was ook heel fijn dat mijn harde werken er eindelijk op zat, het beviel me maar niks, die pijn en al dat gepuf. Tegelijk sloeg de angst me om het hart, omdat ik nu dan echt moeder was en de verantwoordelijkheid had over dit kleine meisje. Ja, ze was van mij, ik hield ontzettend veel van haar, maar ze was ook totaal afhankelijk van mij. En door die intense liefde die ik direct voor haar voelde, werd ik ook totaal afhankelijk van haar. Dat was nieuw voor mij. Ik was nooit afhankelijk van iemand geweest, althans ik had besloten om nooit afhankelijk van iemand te zijn. Me aan iemand hechten deed ik liever niet, kon ik ook niet goed. Dat was een stuk veiliger en makkelijker. Maar vanaf dat moment wist ik dat ik niet meer zonder haar zou kunnen leven.

Tot slot voelde ik ook verdriet. Verdriet omdat ik dit moment niet kon delen met mijn biologische moeder. Ik kon niet ervaringen over deze eerste momenten met haar uitwisselen. Hoe zou het voor haar geweest zijn toen ze beviel van mij? Hoe was de bevalling verlopen, had ze het ook zo zwaar? Wilde ik ook liever in de buik blijven? Kwam de voeding net zo goed op gang als bij mij? En nog een heleboel van dat soort vragen had ik graag met mijn biologische moeder besproken. 

Vanaf die eerste bevalling heb ik me keer op keer met verwondering afgevraagd hoe een moeder ooit afstand van haar kindje kan doen. Ik snap dat echt niet. Terwijl er genoeg redenen kunnen zijn dat dit toch moet. Ik denk alleen niet dat ik dat had overleefd.

Ik ben mijn adoptie moeder ontzettend dankbaar dat zij nooit de keuze heeft gemaakt om afstand te doen van mij. Hoewel er genoeg redenen waren om mij weer over te dragen aan de Raad van de Kinderbescherming heeft zij gelukkig altijd voor mij gekozen. Pas sinds kort realiseer ik me dat moederliefde in allerlei vormen bestaat. Én dat het niet persé gebonden is aan een bloedband. Liefde is een keuze. 

Gelukkig maar, want ook God koos voor mij. Het was Zijn keuze om mij lief te hebben al vanaf het allereerste begin. Bij mensen kan de liefde soms ophouden. We raken teleurgesteld in de ander en de liefde vervaagt, tot er niks mee van over is. God daarentegen houdt nooit op van ons te houden. Zijn liefde is onvoorwaardelijk en zonder grenzen. Zijn liefde voor mij is volmaakt en volledig. Terwijl ik dat tot mij laat doordringen merk ik opnieuw een mix van emoties, net als tijdens dat eerste contact met mijn dochter. Ook nu voel ik opluchting, blijdschap en diepe dankbaarheid. Want hoeveel vragen ik ook blijf hebben, de liefde blijft en overwint. Daarvan ben ik overtuigd. Omdat God liefde en waarheid is.

38. Blijde herinneringen 

Vorige week werd onze oudste zoon twintig jaar. Bij elke verjaardag probeer ik een leuke collage te maken die ik op social media deel. Hiervoor blader ik dan dus regelmatig door oude fotoboeken. Vorige week raakte ik hierdoor een beetje overweldigd vanwege alle lachende en vrolijke foto’s die ik tegenkwam. We hebben als gezin best moeilijke tijden gehad. En als moeder heb ik vaak getwijfeld, liep ik tegen muren op en heb ik het opvoeden regelmatig als een worsteling ervaren. Vorige week herinnerde ik me weer dat we ook heel veel leuke en mooie momenten met elkaar gedeeld hebben! 

Ieder kind heeft zijn of haar eigen uitdagingen. Elke ouder ook. Mijn persoonlijke uitdaging is perfectie en controle. Ik denk dat mijn kinderen daar best last van hebben gehad. Als moeder was ik niet zo flexibel. Maar ik was wel een moeder die zielsveel van haar kinderen hield en nog steeds houdt. Ik heb het beste met ze voor; toen, nu en in de toekomst. 

Terwijl ik vorige week de fotoalbums doorbladerde en al die leuke blijde momenten zag, voelde ik me zo dankbaar dat ik die momenten mee heb gemaakt. Dat deed me afvragen of mijn biologische moeder naast mij nog meer kinderen heeft gekregen. Zou zij met haar andere kinderen blijde momenten hebben gehad? Heeft zij mooie herinneringen gemaakt, net als ik met mijn kinderen? Hebben ze samen verjaardagen gevierd? Zijn ze dagjes uit geweest? Ik hoop het, ik gun het haar. Ik realiseer me dat hoeveel kinderen ze dan ook eventueel naast mij heeft gekregen, hoeveel mooie momenten ze heeft meegemaakt, waarschijnlijk heeft ze me al die jaren toch gemist. Net zoals ik haar al die jaren gemist heb. 

Wanneer ik zelf denk aan mijn jonge jaren besef ik dat er altijd een soort van gemis was. Hoewel ik niet veel meer weet en ik me weinig bewust ben geweest van wat er om me heen gebeurde, durf ik niet met zekerheid te zeggen dat ik haar gemist heb. Het was een periode waarin overleven me bijna alles kostte waardoor er geen tijd en energie overbleef om te genieten van de mooie dingen in het leven. Ik heb weinig herinneringen aan verjaardagen, blijde momenten of lachende gezichten. Ze zullen er zijn geweest, maar ik weet het niet meer. Voor mij was dat geen bewuste keuze. Ik heb niet bewust iets opgegeven waardoor ik geen getuige meer kon zijn van mooie gebeurtenissen. 

Maar mijn biologische moeder gaf mij op. Ik hoop uit liefde en omdat ze ten diepste wist dat het nodig was. Ook zij werd weliswaar gedwongen door de situatie waar ze in zat. Maar alsnog, ze koos ervoor om me weg te leggen. Door haar keuze ontnam ze zichzelf de mogelijkheid om mooie herinneringen met mij te maken. 

Ik heb lange tijd die keuze als onmogelijk en ongelofelijk ervaren. Ik kon er met mijn gevoel niet bij dat je als moeder ervoor koos om vrijwillig afstand te doen van je kind. Verstandelijk gezien kon ik het snappen en er begrip voor opbrengen. Maar gevoelsmatig begreep ik er niks van. Eerlijk gezegd kan ik dat, op basis van gevoel nog steeds niet goed. Gelukkig heb ik zelf nooit voor die keuze gestaan. 

Tegelijk ben ik ook dankbaar dat zij die beslissing wel kon maken. Mede door haar beslissing heb ik nu drie prachtige kinderen waarmee ik mooie herinneringen heb kunnen maken én vastleggen. Terwijl mijn handen de bladzijdes omslaan en ik geniet van de ondeugende snoetjes van mijn kids stroomt de dankbaarheid opnieuw van mijn hoofd naar mijn hart. Ik voel diepe vreugde om de blijde momenten. 

Het is mijn gebed dat mijn biologische moeder, mocht ze nog leven, ook mooie momenten met haar andere kinderen heeft mogen mee maken. Dat ze in haar hart zeker weet dat haar keuze van toen goed was. Ik bid dat zij Jezus mag kennen en mag weten dat er geen schuld of schaamte in haar hart hoeft te zijn. Ik weet dat de kans niet groot is, maar hoop hebben is goed!

Ik snap Gods wegen lang niet altijd. Maar ik weet wel zeker dat Gods wegen onderdeel zijn van Zijn plan. Én dat Zijn plan goed is.

37. Stil

Vandaag, de zaterdag tussen Goede Vrijdag en Paaszondag wordt ook wel Stille Zaterdag genoemd. Goede Vrijdag is heftig. Jezus doorstaat de gruwelijkste lijdensweg, voor mij. Hij stierf aan het kruis, voor mij. Na het oorverdovend geschreeuw van het volk is het vandaag stil. Terwijl de wereld vol verdriet, ongeloof en misschien ook wel verwachting zwijgt, heeft Jezus zelf nog een andere strijd te voeren. 

Afgelopen week werd ik zelf ook weer enorm bepaald bij ‘stil zijn’. Hoewel in stilte zijn tegenwoordig steeds belangrijker en noodzakelijker wordt, roept dit bij mij juist een negatieve associatie op. Als klein meisje heb ik al vroeg geleerd dat het beter is om stilletjes op de achtergrond aanwezig te zijn. Geen aandacht vragen vergroot de kans dat ik geen aandacht kreeg. Geen aandacht krijgen was ook gegarandeerd geen negatieve aandacht. En die garantie was altijd beter dan eventueel positieve aandacht. 

Ook groeide ik op met het idee dat vrouwen zich beter stil konden houden. ‘Wij’ hadden geen recht van spreken. Dat stond zo in de bijbel, dus was het zo. Doorstuderen was niet echt nodig, hoe intelligent ik ook was. Mijn toekomst lag toch al zo goed als vast. Trouwen, kinderen en bij hen thuisblijven, zo hoorde dat. Het enige waar ik recht op kreeg was mijn toekomstige aanrecht. 

Inmiddels denk ik hier behoorlijk anders over. God heeft dit totaal omgedraaid en mij het verlangen gegeven om juist vrouwen te helpen in hun kracht te zetten. Ik geloof dat ook wij vrouwen, zoveel meer rechten hebben gekregen. Ook wij kunnen én mogen tot zegen zijn voor Gods koninkrijk en Zijn gemeente. Ook wij mogen spreken en gehoord worden. God heeft mij dit op zoveel manieren bevestigd, deuren geopend en me mogelijkheden gegeven. Hij bleef me maar duwtjes in de rug geven om me hier mee bezig te houden. Hij zette me op de voorgrond en haalde me uit mijn comfortzone, ook als ik daar eigenlijk niet zoveel zin in had. Ik ben er inmiddels van overtuigd dat ook ik Gods waarheid mag uitspreken. Sterker nog, dat Hij mij wil en zal gebruiken om Zijn woord te delen.

Ondanks die overtuiging komt af en toe deze oude leugen van ‘als vrouw heb je geen recht van spreken’ weer om de hoek kijken. Zo ook afgelopen week. 

Terwijl ik in een gezelschap aan het woord was, werd mij de mond gesnoerd. Ik werd voor mijn gevoel vrij abrupt afgekapt, al was dat in die situatie terecht en op dat moment beter. Voor mij persoonlijk had het grote gevolgen. Ik klapte helemaal dicht en zat direct weer in het oude patroon van ‘beter niks zeggen’ vast. Die dagen daarna was ik weer stiller dan anders. Ik durfde mijn mening niet meer te uiten, ik dacht echt letterlijk dat het beter was voor iedereen dat ik maar weer zou zwijgen. Ik hield me stil. ik twijfelde aan wat ik dacht en durfde in gezelschappen niets meer te zeggen. Ik wilde wel, maar dacht ergens weer dat het niet mocht. ‘Wie ben ík eigenlijk’ vroeg ik me regelmatig af. In gedachten had ik besloten om voorlopig even te stoppen met schrijven. Was mijn schrijven wel zinvol, en nog belangrijker, heb ik wel waarheid geschreven? Mag ik dit wel doen?

Gisteren was het Goede Vrijdag. De hele week stond ik al wat stil bij het lijden van mijn Jezus, waarbij ook Zijn zwijgen mij opviel. Jezus koos ervoor om gedurende Zijn verhoren te blijven zwijgen. Net zoals ik ervoor koos om afgelopen dagen stil te zijn. Net als mijn Jezus zei ik het minimale. 

Toch is er een groot verschil tussen ons zwijgen. Jezus deed wat Hij moest doen, Hij had hier zelf de controle over. Ik niet, ik liet mij leiden door angst. Ik hield me stil omdat ik dacht dat mijn mening niet belangrijk genoeg was. Ik was bang om onwaarheden te spreken en hierop afgestraft te worden. Bij mij was het oud zeer dat weer naar boven kwam. Het zwijgen opgelegd worden door een man zorgde er bij mij voor dat ik in een soort freeze modus terecht kwam. Ik bevroor en durfde mijn mening niet meer hardop te uiten.

Ik realiseer me dat dit niemands fout is. Niet mijn adoptie ouders die me met deze gedachte hebben grootgebracht. Niet de persoon die me eerder deze week afkapte. Ook niet ikzelf, omdat ik toegaf aan deze oude gedachte. Maar er is een vijand die me graag stil houdt. Hij heeft er belang bij wanneer ik niet meer schrijf over Gods waarheden. Hij heeft liever dat ik mijn door God ingegeven wijsheden niet deel. Hij is degene die me deze leugens influistert en ze als waarheid laat klinken in mijn hoofd.

Deze vijand, de duivel, had ook veel liever gehad dat Jezus op stille zaterdag voor altijd in het graf was gebleven. Hij probeert op allerlei manieren om voor stilte te zorgen rondom Jezus. De duivel wil geen aandacht voor Jezus. Hij wil dat we zwijgen en in stilte volharden wanneer het gaat om Wie Jezus is.

Om hierover te schrijven, daar heb ik over getwijfeld. Het is makkelijker om me hierover stil te houden. Het is nogal een onderwerp wat ik aanstip. Maar wanneer ik hierover zou zwijgen, lijkt het alsof ik het hier mee eens ben. Alsof ik inderdaad vind dat vrouwen geen recht hebben van spreken. Alsof ik vind dat mijn Jezus beter in het graf had kunnen blijven. Alsof ik niet hoef te delen over mijn leugens, mijn strijd en mijn zoeken naar de waarheid. Ik heb besloten hier niet langer aan toe te geven. Ik laat mij niet meer het zwijgen opleggen. Ik zal spreken wanneer ik denk dat God mij daartoe aanmoedigt. Ik zal Zijn waarheid spreken wanneer Hij dat van mij vraagt. Ook als dat me wat gaat kosten.

Ik hou mij vast aan de gedachte dat ik, net als elke man én andere vrouw, Gods geliefde kind en erfgename ben. En ik weet dat ik in mijn recht sta omdat ik die waarheid lees in Gods woord. 

Twee dagen stilte is alles wat de vijand van mij mocht hebben! 

36. Ons Ooievaarsnest

Enige tijd geleden ontving ik van mijn adoptiemoeder een artikel over mijn kindertehuis in Indonesië. Ze vond het tijdens het opruimen en dacht dat ik het wel wilde hebben. Waar het artikel in is verschenen en hoe oud het is wist ze niet precies. Maar het zal ergens rondom mijn eigen adoptie zijn geweest. Ik sta er zelfs met naam en foto in. 

Het artikel beschrijft wat deze adoptie organisatie allemaal doet om babies te redden. De eerste zinnen klinken heel mooi: ‘In ONS OOIEVAARSNEST krijgen deze Indonesische miniatuurmensjes de eerste kans in hun leven en de meesten zelfs hun eerste kans óm te leven. Want dat is de bittere waarheid: veel van deze kindertjes halen we van de rand van het graf.’

En dan volgt er een beschrijving over de liefdevolle zorg waarmee de ‘zustertjes’, zelf nog erg jonge meisjes, de kindertjes mee overlaadden. Zo herstelden en groeiden deze geredde kinderen zich goed. Uiteindelijk was het doel van dit kindertehuis: Ouders in Nederland voorzien van een kindje. Wanneer het geredde kindje voldoende was aangesterkt en klaar was om te vertrekken naar Nederland begon het administratieve gedeelte. Het eerste probleem was: ‘om de moeder van het kind te bewegen mee naar de notaris te gaan, want de meesten zijn daar doodsbang voor.’

Die zin raakte me, het verwart me. Het is mooi te weten dat de zusters in het kindertehuis echt met liefde voor mij gezorgd hebben. Ik hoef me niet langer af te vragen of ik als baby zijnde lichamelijk knuffels heb mogen krijgen. Door dit artikel ga ik daar eigenlijk wel van uit. Maar op mijn adoptiepapieren staat dat ik gevonden ben als vondeling, terwijl ik toch afgestaan word ter adoptie. Bij het vakje ‘moeder’ staat een kruisje maar geen naam. Bij het vakje ‘vader’ staat een Nederlands klinkende naam. Door wat men in het artikel beschrijft lijkt het erop dat veel geboortemoeders wel in beeld zijn geweest. Ook mijn geboortemoeder dus? Misschien had zij me zelf te vondeling gelegd, in de hoop op een betere toekomst voor mij. En heeft zij zich later gemeld om mij toch weer terug te willen. Zou ze zijn gedwongen om afstand van mij te doen? Of zou het aangeboden geld wat zij voor mij zou ontvangen haar overghaald hebben? Per slot van rekening ontving het kindertehuis geld voor elke adoptie en kregen de moeders ook een (kleine)vergoeding. Er zijn onderzoeken gedaan en rapporten uitgebracht over de wandaden omtrent adopties in die tijd. Juist over de adopties vanuit Indonesië is veel geschreven. En er zijn genoeg nare verhalen over ontvoerde en vermiste kindertjes.

Wat, als mijn geboortemoeder mij dus eigenlijk heel graag had willen houden? Maar is dat om wat voor reden dan niet gelukt… Ik denk daar niet echt veel over na, maar door dit artikel bleef deze vraag afgelopen week door mijn hoofd zoemen. Misschien leeft mijn geboortemoeder nog en denkt ze elke dag aan het dochtertje dat ze heeft moeten afstaan. Misschien denkt ze nog regelmatig aan die eerste maanden van mijn leven en bedenkt ze hoe ze het anders had kunnen doen. Opnieuw voel ik een schrijnend verlies, want hoewel ik al deze dingen niet zeker weet en ik er waarschijnlijk ook nooit achter zal komen, voelt het ergens toch als een gemis dat ik daar niet meer ben. Een gemis van iets wat mooi had kunnen zijn. 

Tegelijk realiseer ik me dat het net zo goed ook niet zo mooi had kunnen zijn. Mijn adoptiemoeder heeft me wel eens verteld dat ik in het allereerste begin dat ik bij hen was, een erg bang en schichtig kindje was. Ik trilde vaak als een rietje, had nachtmerries en er was een diepe angst voor mijn adoptievader. Hij mocht mij de eerste paar maanden niet eens aanraken. Oogcontact maken met hem deed ik nauwelijks. Op schoot nemen was al überhaupt geen optie. Dat opgeteld bij het gegeven dat ik als vondeling bont en blauw zou zijn geweest duidt in elk geval op geweld, hoogstwaarschijnlijk van een man. De vraag is in hoeverre ik nog langer slachtoffer zou zijn geweest van die mishandelingen wanneer ik daar was gebleven. En of ik dat zou hebben overleefd… 

Uiteindelijk doet het er natuurlijk maar weinig toe. Ik kan in ieder geval met zekerheid zeggen dat ik nu nog leef en tot mijn doel ben gekomen. Ik ben namelijk echt en volledig, in volle glorie Gods kind. 

Binnenkort vieren we weer Pasen. Veel mensen zijn vooral blij met de extra vrije dag. Voor mij heeft Pasen een diepere betekenis. Want naast alle prachtige én belangrijke betekenissen van het lijden en sterven van Jezus, dringt het dit jaar echt goed tot me door dat het bloed van Jezus ook al mijn pijn, al mijn verlies en alles wat ik in mijn leven aan liefde en aandacht heb moeten missen, uitwist. De dood en opstanding van Jezus maakt dat ik in alle vrijheid kan leven. Ik hoef niet meer gebukt te gaan onder al het leed van vroeger. Ik hoef me niet meer te laten leiden door mijn verdriet en tranen. Door gemiste knuffels en gemiste liefde. Ik hoef niet meer als slachtoffer van de wandaden die mij zijn aangedaan, door het leven te gaan.

Ik lees in de bijbel dat God vol vreugde is wanneer Hij aan mij denkt. Hij juicht zelfs over mij, over mij! Ik lees in de bijbel dat God Zelf onvoorwaardelijk van mij houdt en in Zijn ogen ben ik precies zoals Hij wil; rein en volmaakt, omdat Jezus met Zijn leven mijn schuld volledig afbetaalde. Jezus betaalde dus ook voor al het leed dat mij, bewust of onbewust is aangedaan. De gevolgen van de mishandelingen, de krassen op mijn ziel door alles wat ik heb meegemaakt, ook dat is door het bloed van Jezus weg. Mijn geweten is volledig gereinigd. Wat een genade, wat een liefde.

Het is niet zo dat ik me nu nooit meer verdrietig voel of dat me aan iemand hechten en liefde ontvangen gemakkelijk af gaat. Maar mijn verleden is niet bepalend. Het maakt niet wie ik ben. 

Vondeling zijn bepaalt niet mijn identiteit. 

Mijn identiteit is in God, voor eeuwig. En in die eeuwigheid mag ik nu al in volle glorie leven!

35. Van vondeling naar erfgenaam

Vandaag wilde ik mezelf het liefst in foetushouding oprollen en onder de dekens verstoppen. Tegelijk wil ik schreeuwen, huilen en met van alles slaan. Geef mij een knuppel of een boksbal, misschien helpt het om alle opgekropte emoties en frustraties, alle boosheid en verdriet eruit te knallen. Mijn hoofd voelt zwaar van het vele denken, van de niet geuite gedachten en onuitgesproken woorden, van ongevoerde gesprekken en niet gelaten tranen. Van boosheid waarvan ik eigenlijk vind dat het er niet mag zijn. Van verdriet wat ik het liefst weg bagatelliseer en niet wil voelen omdat er zoveel ergere situaties in deze wereld bestaan.

Eerlijk gezegd ervaar ik dit als een terugkerende strijd en ik realiseer me dat ik nooit op een gezonde manier heb leren omgaan met al mijn emoties. Als kind heb ik niet geleerd dat mijn emoties er mochten zijn. Dit weet ik al heel lang. En tot nu toe is het me aardig gelukt hier op een goede verantwoorde manier mee om te gaan. Dit betekent dat ik bijvoorbeeld op een rustige manier mijn boosheid of verdriet kan verstoppen. Door de extreme woedeaanvallen van mijn adoptie vader durf ik nauwelijks meer enige boosheid toe te laten. Door de langdurige verdrietige periodes van mijn adoptiemoeder, durf ik mijn verdriet nauwelijks te laten zien. Ik heb me altijd voorgenomen nooit te worden als mijn adoptieouders. Het probleem is dat ik nu dus niet weet hoe ik op tijd mijn emoties op een goede manier kan uiten.

Over het algemeen merk ik aan mijn lijf wanneer ik teveel opkrop. Ik krijg hoofdpijn en kan steeds minder goed nadenken. Een paar week geleden had iemand het over de zwaarte van mijn hoofd, toen dacht ik dat het wel meeviel, ik ben niet een zwaarmoedig type vind ik van mezelf. Ik snapte eigenlijk niet zo goed wat ze bedoelde. Ook zei diezelfde persoon dat ik best boos mag zijn, dat ik met al mijn gevoelens bij God mag zijn, precies zoals ik me voel. Bij Hem is het echt veilig, Hij houdt onvoorwaardelijk van mij. Ik weet dat én ik ervaar dat. Toch voel ik steeds meer hoe het niet goed uiten van mijn eigen emoties me belemmeren op de langere termijn. Het levert hele denkprocessen en verkeerde gedachten op in mijn hoofd. Die zwaarte waar ik al over sprak. 

En na verloop van tijd valt het mijn identiteit aan. Ik hoor leugens in mijn hoofd weerklinken die uiteindelijk te herleiden zijn naar de oude wond van ‘ik mag er niet zijn’ en ‘ik ben het niet waard om ruimte in te nemen’. Die angst om opnieuw aan de kant gelegd te worden, afgedankt en ergens achter gelaten te worden zit blijkbaar diep. Het is niet dat ik het weggestopt heb, ik weet mij geliefd, ik weet mij gewaardeerd. Maar, wanneer mijn hoofd zwaar is, ik de dingen niet meer overzie, merk ik weinig meer van die liefde. Dan is mijn hoofd vatbaar voor de leugens van de vijand. En juist dan moet ik Gods waarheden over me uitspreken. Ze zijn als het ware een anker voor mijn ziel. Elke keer weer red ik het daarmee en daardoor. Tegelijk zou het zo goed zijn wanneer ik dit voorkomen kan. Dat scheelt weer een gevecht en een heleboel energie. Ik moet me wapenen en in plaats van me te verdedigen wil ik liever in de aanval. Ik wil geen energie kwijtraken aan het pareren van de leugens die ontstaan doordat ik me zwak en weggezet voel. Ik wil staan in mijn identiteit als kind van God waarin ik eerlijk en kwetsbaar mag zijn precies zoals ik me voel. Met al mijn littekens, mijn gevoelens van boosheid, verdriet en mijn angsten, zonder dat dit betekent dat ik er niet toe doe. Ik wil het vondeling zijn niet mijn identiteit laten bepalen. Ik verlang naar nog steviger op mijn Fundament staan. 

Ik ga voor nog meer vrijheid, voor een nog krachtiger leven als erfgenaam van God. Ik kijk niet uit naar het proces, maar vertrouw erop dat het eindresultaat prachtig zal zijn! 

34. 18 jaar

Vandaag is onze jongste 18 jaar geworden, eindelijk echt volwassen voor de wet. Gekscherend zeg ik al een paar week dat ik nu klaar ben met opvoeden. De komende tijd zal pas blijken of die opvoeding geslaagd is. Vandaag voelt als een tijdperk dat afgesloten wordt. Natuurlijk is het niet zo dat we nu niks meer van doen hebben met onze Timon, zijn moeder blijf ik mijn hele leven. Al voelt het vandaag wel alsof de opvoedtaak die ik als moeder had min of meer afgerond is. 

Als opvoeder realiseer ik me dat ik op verschillende vlakken flink de plank heb misgeslagen. Ik heb dingen niet gezien, emoties niet goed aangevoeld en niet op de juiste momenten de juiste vragen gesteld. Wanneer ik hierover nadenk, voel ik een bekend faal gevoel omhoog komen. Door mijn eigen opvoeding en vooral het gebrek aan opvoeding heb ik geleerd dat controle houden een noodzakelijk goed is. Het geeft een heerlijk gevoel van kracht en macht. Het zorgt voor zelfverzekerdheid en onafhankelijkheid. De drang naar perfectie wordt hiermee ook gevoed en bevestigd. In mijn eigen leven en in de opvoeding naar mijn kinderen toe heeft dit ervoor gezorgd dat ik alles tot in de puntjes toe goed geregeld en verzorgd had. Doordat ikzelf in redelijke eenzaamheid opgroeide en weinig aandacht kreeg van mijn ouders, heb ik jarenlang geprobeerd precies het tegenovergestelde bij mijn eigen kinderen te doen. 

Helaas is het onder controle hebben van een jong uitdagend gezin dodelijk vermoeiend. Langzaamaan begon mijn masker van perfectie wat scheurtjes te vertonen. Op steeds meer vlakken begon ik mijn controle te verliezen. Ik zat niet meer zo steady in mijn vel. Het lukte me steeds minder goed om alle touwtjes van mijn leven stevig vast te houden. Toen Timon in de pubertijd kwam was het helemaal gedaan met mijn controle en had ik geen enkele kracht meer om welk touwtje dan ook vast te houden. 

Er zijn zat dingen waarvan ik achteraf zeg dat ik het misschien beter anders had kunnen aanpakken. Maar ik realiseer me dat ik als mens, als vrouw en als moeder de dingen nooit perfect kan doen. Ik heb fouten gemaakt, de ene dommer dan de ander en de ene met grotere gevolgen dan de ander, ik heb daarvan geleerd en dat doe ik vaak nog steeds. 

Wat ik ten diepste betreur is hoeveel impact dit heeft gehad op de levens van mijn kinderen. Juist datgene, waarvan ik altijd geroepen heb dat ik nooit zoals mijn moeder zou zijn, juist dat werd ineens ook bij ons werkelijkheid. Er konden geen vrienden meer over de vloer komen, want alles was mij te druk, teveel, te intensief, gewoon te… Iedereen in het gezin moest continu rekening houden met mij. Ons huis werd een plek om te ontvluchten, want echt gezellig was het hier niet.

Juist in de periode dat je als kind je ouders nodig hebt, ook al roept een puber zelf keihard dat dit natuurlijk niet waar is, was ik een afwezige ouder. Ik was lijfelijk wel aanwezig, maar ik kon maar weinig voor ze betekenen. En dat maakt me best verdrietig zo nu en dan. Dat heeft ook zeker gevolgen gehad in onze verstandhouding. Er zijn dingen gebeurd die ik absoluut niet nogmaals wil mee maken. Er zijn dingen gezegd die ik nooit meer wil horen of uitspreken. 

Terwijl ik daar op een dag als vandaag over nadenk dan komt bij mij het gemis van een moeder om hierover te praten even extra hard binnen. Hoe zou ik hier met mijn biologische moeder over hebben gepraat? Als ik onder haar vleugels was opgegroeid, zou ik dan ook die drang naar controle en perfectie hebben gehad? Of was mijn ‘maak je niet druk’ eigenschap die elke Aziaat van nature lijkt te hebben toch meer en beter ontwikkeld. Ik vind het een interessante gedachte dat ik als moeder misschien wel heel anders was geweest. Niet beter, maar wel anders. 

Inmiddels is de relatie met onze Timon aan het herstellen. Dat hebben we te danken aan God die de juiste vrienden op ons pad plaatste. Vrienden waar we mee konden praten en konden bidden. Broers en zussen waar we bij konden uithuilen, schreeuwen en waar we onze kleine succesjes mee konden delen. Nu, vandaag, op zijn 18e verjaardag lever ik met vertrouwen onze Timon af aan de maatschappij. Wanneer ik hem zie met zijn vrienden, wanneer ik hem dingen hoor regelen en met hem praat over hoe hij zijn toekomst ziet, dan voel ik trots en dankbaarheid. Ik weet zeker dat hij zijn bestemming wel zal vinden. Wanneer en hoe weten we natuurlijk nog niet. Misschien duurt dat nog jaren en misschien ook wel via een heel aantal omwegen. Dat leggen we vol vertrouwen in Gods handen en ondertussen blijven wij als ouders steeds meer aan de zijlijn staan. Hij zal nog regelmatig struikelen, dan zal ik er zijn om hem te helpen met opstaan en verder te lopen. Net zoals ook ik nog regelmatig zal struikelen. Ik leef in het vertrouwen dat God mij dan zal helpen opstaan en me opnieuw de goede richting in duwt. 

Op die manier leven is een stuk relaxter dan continu proberen te voorkomen dat je valt. Dat kost veel minder energie en levert je een heleboel groei op. Zo worden we steeds mooier, steeds groter en steeds volwassener. Steeds meer zoals God ons bedoeld heeft.

33. Schrijnende dankbaarheid

Afgelopen week heb ik een verslag gelezen van de organisatie Wereldkinderen geschreven in samenwerking met de Universiteit van Leiden. In hun project Historie & Roots hebben zij onderzoek gedaan naar adopties uit Indonesië in de periode van 1973-1984. 

Wat me ontzettend raakte in hun verslag is de beschrijvingen van de omstandigheden van de, meestal jonge, zwangere meisjes. Ik lees hoe ‘ongetrouwde dochters uit armere gezinnen financieel moesten bijdragen aan het gezin door te gaan werken. De meisjes hadden veelal nauwelijks een opleiding genoten, waardoor er weinig keuze was. Er werd voor hen een baantje gezocht als hulp in de huishouding, inwonend bij een familie, of als “gastvrouw in een bordeel”, wat in de praktijk betekende dat ze gedwongen werd als prostituée te werken.’ (pagina 8)

Veel van deze meisjes raakten zwanger. Abortus was in die tijd nog verboden. Het uitdragen van de zwangerschap was dus hun enige mogelijkheid. Vervolgens moesten zij een keuze maken wat er met het kindje werd gedaan. Waar de moeder ook voor koos; het kindje houden of het kindje afstaan, zijzelf werd er in elk geval niet beter van. Wanneer ze besloot het kindje te houden was de kans groot dat zij uit de familie werd gezet en ergens op straat terecht kwam. Wanneer ze het kindje afstond werd ze alsnog binnen haar familie als paria behandeld. 

Op diezelfde bladzijde lees ik voor het eerst over ‘de kinderen van Kali’. Blijkbaar een bekend gezegde in Indonesië, wat gaat over de kinderen die door hun wanhopige moeders werden achter gelaten bij ‘de rivier’. Terwijl ik dat zo lees en tot me laat doordringen word ik overvallen door een diepe dankbaarheid. Er van uitgaande dat het mijn biologische moeder is die me te vondeling heeft gelegd op de trappen van het kindertehuis, dan ben ik haar zo dankbaar dat ik niet zo’n ‘rivierkind’ ben. Wanneer dat het geval was geweest zat ik nu waarschijnlijk niet warm en droog, al schrijvend, met een scheef oog FC Liverpool te kijken.  

Het raakt me wanneer ik bedenk dat mijn leven zo anders had kunnen zijn. Wanneer ik inderdaad ergens op de oever van de rivier was achtergelaten was het nog maar de vraag of ik het overleefd had. Áls ik het overleefd had, was de kans groot dat ik ergens in grote armoede leefde. Hoogstwaarschijnlijk was ik al op jonge leeftijd in de prostitutie beland en zou ik nu op mijn 45ste een oud afgeleefd omaatje zou zijn geweest. Mogelijk had de geschiedenis zich dan wel herhaald. Was ook ik al op jonge leeftijd zwanger geraakt, was mijn leven een last voor de maatschappij geweest, in plaats van dat ik nu tot zegen kan zijn voor zoveel mensen om mij heen. Het is bizar hoe God één hartverscheurende beslissing kan ombuigen ten goede. Dat maakt me enorm dankbaar. 

Tegelijk vind ik het ook ontzettend schrijnend, te weten dat er nog steeds zoveel Indonesische meisjes het slachtoffer zijn van uitbuiting. Ook al leven we inmiddels een halve eeuw later, sommige situaties blijven onveranderd. Het is moeilijk om een cultuur of een familievloek te doorbreken. Zovelen blijven hangen van generatie op generatie in dezelfde structuren en sociale status. Eerlijk gezegd breekt het mijn hart wanneer ik me de sloppenwijken voorstel, waar vele moeders met een aantal kinderen van een waarschijnlijk even groot aantal verschillende mannen zich door het leven heen worstelen. Het gaat op zoveel verschillende vlakken fout. Er is nauwelijks meer sprake van eigenwaarde, van het besef dat ze recht hebben op een beter leven. Er is niemand die hen vertelt hoe geliefd ze zijn, hoe God ook met hen een plan heeft. Het lijkt alsof het duister daar op die plekken overwonnen heeft. 

Soms als ik hier in Nederland om me heen kijk, voel ik haast bijna datzelfde. We hebben het zo goed hier, in materieel opzicht ontbreekt het ons aan niets. Toch zijn de gedachten over onze levens en over ons bestaansrecht soms zo duister. Ik hoor regelmatig jongeren én volwassenen vragen wat voor zin hun leven eigenlijk heeft. Het lijkt allemaal zo zinloos. We doen ons ding. We komen ter wereld, groeien op en beginnen met school, gaan studeren, zoeken een baan en gaan werken, we baren gemiddeld genomen 1.57 kind. En zijn er ten diepste vaak niet tevreden mee. Toch doorlopen onze kinderen vervolgens dezelfde riedel. Hoewel ons luxe leven hier in het westen ons een stuk beter zal afgaan, blijft het leeg wanneer we ons niet bewust zijn van het doel waar we voor leven.  

Persoonlijk heb ik een lange reis afgelegd, zowel letterlijk als figuurlijk, om mijn doel te vinden. Het doel van mijn bestaan is Gods grootheid aan de wereld te laten zien. Mijn leven mag één grote aanbidding naar Hem toe zijn. Ik vind het bijzonder om te beseffen dat ik een Hemelse Vader heb die mij altijd al op het oog had. Het is ongelofelijk om te beseffen dat ik een Hemelse Broer heb die heel speciaal voor mij de overwinning op zonde, dood, ziekte en pijn heeft behaald. Én het is heerlijk geruststellend te weten dat Zijn Geest nu in míj woont, zodat ik dit leven niet op eigen kracht hoef te doorlopen. 

Mijn hart loopt over van dankbaarheid wanneer ik dit besef. Tegelijk weer dat schrijnende gevoel omdat er zoveel mensen zijn die nog leven in het duister. Ik verlang er enorm naar om meer Gods liefde te delen, Zijn licht te schijnen op de duistere plekken en te getuigen dat God bestaat én dat Hij jou op het oog heeft. Eerlijk gezegd geloof ik dat mijn verlangen nog maar een fractie is van het verlangen dat God voor ieder van ons heeft. Hij wil Zijn liefde met de mensheid delen. Hij wil voor iedereen het Licht zijn. Jezus is hét Licht van deze wereld. Hier in het Westen én daar op de oevers van de Kali. 

32. Boos

Afgelopen nachten lag ik in een diep dal van boosheid, pijn en verdriet. Ik lag daar Godzijdank niet alleen maar voelde Gods onzichtbare armen continu om me heen. Dat maakte dat ik me ondanks al die emoties toch continu veilig voelde. 

Enkele dagen geleden kwam ik tot ontdekking dat mijn kindertijd niet goed is verlopen. Gezien alle verhalen die ik hierover heb gedeeld kan het verrassend zijn dat ik dit pas afgelopen dagen ontdekte. Ik wist natuurlijk wel dat de manier waarop mijn kindertijd verliep niet was zoals het behoorde te gaan. Eigenlijk zijn mijn eerste 18 jaar ongezond geweest. Maar, ik ben daar nooit echt boos of verdrietig over geweest. Voor mijn gevoel kon ik het niemand kwalijk nemen. Het waren omstandigheden waardoor het zo gegaan is. Daarbij kwam dat ik altijd heb geleerd om vanuit dankbaarheid te leven. Soms vraagt dat wat uitdaging en omdenken, maar er is meestal wel iets om dankbaar voor te zijn. Als ik nu terugkijk op die jaren in het algemeen kan ik een heleboel dingen opnoemen waar ik ook werkelijk dankbaar voor ben. 

Tegelijk heb ik ook veel dingen gemist. Afgelopen week begon ik me dat te realiseren en dat maakte me ontzettend verdrietig. Naast verdriet ontdekte ik dat ik daar ook boos om ben. Ik ontdekte boosheid naar mijn adoptieouders toe. Terwijl ik dit zo schrijf en dus deel merk ik dat mijn hartslag omhoog vliegt, want wat zeg ik daarmee? Mag ik wel boos zijn, heb ik dat recht? Ik heb altijd gedacht dat ik verdrietig was vanwege de situatie. Afgelopen dagen kwam er een boosheid naar boven waarbij ik me realiseerde dat ik ook boos ben op mijn adoptiemoeder. Ik ben boos dat zij mij niet beter heeft beschermd. Ik ben boos dat zij te weinig inzicht had in het opvoeden van een adoptie kind. Ik ben boos dat haar kinderwens zo groot was dat ze toch kinderen adopteerde, terwijl de thuissituatie hier eigenlijk niet  geschikt voor was. Ik vond altijd dat ik niet boos mocht zijn, ik denk namelijk dat mijn adoptiemoeder vooral onmachtig was. Nu realiseer ik me dat, ook al mocht ik van mezelf niet boos zijn, die boosheid er wel zit. En ergens verstikt me dat. Boosheid op mijn adoptievader heb ik in het verleden al verwerkt. Maar ik heb nooit boos durven zijn op mijn adoptiemoeder. Bij haar speelden verzachtende omstandigheden. Mijn loyaliteit naar haar toe was altijd al groter. Toch is de boosheid er diep in mijn binnenste wel. Ontkennen en wegstoppen is niet de beste manier om hier mee om te gaan heb ik ontdekt.

De boosheid zelf verandert nu natuurlijk niks meer aan de situatie van toen. Maar het uiten van die boosheid geeft mij wel een innerlijke bevrijding. Ik heb nooit geleerd om boos te mogen zijn. Ik heb het ook nooit dúrven zijn. Boosheid kende ik alleen maar door mijn adoptievader en die boosheid was niet goed, dat kon grote en pijnlijke gevolgen hebben. Boosheid was beangstigend en onveilig. 

Toch is boosheid een gezonde emotie die geuit moet worden, mits je er op de goede manier mee om gaat. Inmiddels is mijn boosheid meer veranderd in verdriet. Door mijn boosheid en onmacht te uiten in de aanwezigheid van mijn Hemelse vader heeft het een stuk heling gebracht. Ik geloof dat mijn Hemelse Vader boos is geweest met mij. Niet zozeer op mijn adoptiemoeder, maar meer boos op het duister wat er in mijn kindertijd aanwezig was. Het voelde als een heilige boosheid om wat de vijand één van Zijn geliefde kinderen aan had gedaan. Het voelt alsof mijn boosheid gezien werd, het mocht er zijn. Hierdoor heb ik het gevoel dat ík er mocht zijn. In de lange donkere nachten werd ik toch gezien en mocht ik ruimte innemen. Door die boosheid te erkennen en te uiten, kwam er ruimte en kon ik eindelijk echt verdriet hebben. Dit keer zonder het weg te bagatelliseren, zonder de gedachte van dat ik me niet aan mocht stellen of andere mooi bedachte excuses, waardoor ik het verdriet er niet in zijn geheel kon laten zijn. Naast dat mijn Hemelse Vader mij zag, zorgde Hij ook voor lieve vriendinnetjes om mij heen die mij hielpen mijn boosheid en verdriet de juiste plek te geven. Opnieuw Zijn manier van laten zien dat ik er mag zijn.

Momenteel word ik nog steeds met regelmaat overspoeld door een golf van verdriet en tranen. Ik ben bijna continu misselijk en soms zak ik ineens door mijn knieën op de grond of lig ik opgekruld op de bank en kan ik alleen maar huilen. Het klinkt misschien wanhopig, maar voor mij voelt het bevrijdend. Ik laat het er gewoon maar zijn want ik merk dat het helend is. Ik voel ruimte in me vrij komen, ik merk letterlijk een ontspannender en losser gevoel in mijn lijf. Die misselijkheid gaat vast ook snel over.

Ik geloof ook dat dit nu kan gebeuren omdat ik weet dat wat er gebeurd is God ten goede heeft laten meewerken. Én ik weet dat dit allemaal niets afdoet aan het feit dat ik Gods geliefde kind ben. Ik ben in Christus en geen enkele gebeurtenis, geen enkel gevoel en geen enkele traan kan daar iets aan afdoen. Ik weet mij innig geliefd en getroost door mijn Hemelse Vader. Jezus vangt elke traan op. Hij stierf voor elke huilbui en elk gemis van liefde. Hij ziet mij. Daar waar ik vroeger voor mijn gevoel te weinig gezien werd, weet ik nu dat Hij mij altijd al op het oog had. Tegenwoordig voel ik me continu gezien. Dat is heerlijk, dat geeft me diepe rust en ruimte. Ik weet, ik mag er zijn. 

Ik ben Zijn innig geliefde dochter. Altijd. 

31 DNA kit (3)

Vorige week schoot het weer door mijn hoofd, ik heb nog steeds die DNA kit liggen. Zou het nu een goede tijd zijn om daar iets mee te doen? Toen ik ’s avonds in bed lag en in een nieuw boek begon bleek het boek te gaan over een zelfde DNA kit en de zoektocht van de hoofdpersoon naar haar biologische familie. Zij was als baby verwisseld in het ziekenhuis en bij andere ouders opgegroeid. Het boek beschrijft dezelfde soort vragen als ik heb. Over hoe het zou zijn wanneer ik ontdek dat mijn biologische familie nog leeft en dat ik een zus of zusje heb. Ik heb dat altijd graag gewild. Ik heb hele lieve nichten, bij hen heb ik zeker een soort zussengevoel ervaren. Maar toch de echte bloedbandverbinding heb ik gemist en daar verlang ik nog steeds wel eens naar. 

Laatst sprak ik met iemand anders die ook vanuit Indonesië geadopteerd is en haar DNA heeft opgestuurd. Zij ontdekte hierdoor dat ze familie in Nederland heeft wonen! Dat is iets waar ik nog geen rekening mee had gehouden. 

Het kan maar zo zijn dat ik niet de enige uit mijn biologische familie geadopteerd ben naar Nederland. In die tijd, tussen 1973 en 1983, zijn er 3.072 kinderen vanuit Indonesië geadopteerd. Hoewel ik met zekerheid durf te zeggen dat de overige 3.071 kinderen niet allemaal bloedverwanten zullen zijn, kan het maar wel zo zijn dat er een broer of zus, neef of nichtje van mij bij zit. Ik realiseer me dat de nood in die tijd hoog was. Naast de geroofde kinderen zullen er ook moeders zijn geweest die hun kind(eren) bewust hebben afgestaan. Uit liefde in de hoop op een betere toekomst voor hun kind. Wanneer ik bedenk dat mijn biologische moeder misschien bij een rijk gezin in dienst was en daar onderdrukt werd door de heer des huizes, kan het maar zo zijn dat ik niet het enige kind ben wat uit deze omstandigheden voort is gekomen. Wie weet leeft er dus hier in Nederland een bloedverwant van mij. 

Bij die gedachte schrok ik in eerste instantie. Het zorgde ervoor dat ik die DNA kit in gedachte nog verder mijn la in schoof. Biologische familie op dikke 11.000 kilometer afstand klinkt nog wel oké. Daar hoef ik niet direct contact mee aan te gaan. De afstand helpt om van alles te laten bezinken en me te oriënteren op eventuele verder te nemen stappen in het leggen van contact. Maar, wanneer ik me bedenk dat een eventueel zusje op een uurtje rijden afstand van mij zou wonen, dan voelt dat eerder, sneller, urgenter, noodzakelijker en zeker praktischer ofzo. Letterlijk dichterbij voelt ook echt dichterbij, binnen handbereik. Er is in elk geval geen taalbarriere en ik verwacht ook geen cultuurbarriere. Ondanks dat ben je allebei toch in een ander gezin opgegroeid, heb je andere ontwikkelingen doorgemaakt en alles anders beleefd. Het kan best zijn dat je DNA het enige is wat een beetje hetzelfde is. Het lijkt me bizar, de vraag of ik iets van mezelf in zo iemand zal herkennen komt gelijk in me op. Zou ik direct iets voelen, of zal die ander gewoon een voorbijganger kunnen zijn. Hoe zal zo’n contact verlopen? Heb je elkaar veel te zeggen of moet je op zoek naar raakvlakken en vallen er tijdens dat eerste kopje koffie continue gespannen stiltes? 

Naast dit soort gedachtes is het ook nog maar de vraag of die ander überhaupt op contact zit te wachten. Stel er is een match, dan ga ik mezelf in elk geval niet opdringen. Ik ben nieuwsgierig, dat wel, maar ik ben zeker niet uit op een intensieve familie relatie. Bij nader inzien lijkt een bloedverwant ín Nederland me ook erg ingewikkeld. 

Toch heb ik besloten om mijn DNA eindelijk op te gaan sturen. Voor mijn eventuele biologische familie in Indonesië doe ik dit vanuit een verplichting. Voor mijzelf doe ik dit vooral uit nieuwsgierigheid. 

Ik realiseer me ook dat het voor mijn eigen identiteit niet uit maakt of ik bloedverwanten waar dan ook ter wereld heb. Mijn ware identiteit ligt niet in het aardse, maar komt bij mijn hemelse Vader vandaan en zal daarom ook veilig zijn. Wat er ook gebeurt, hoe het zich verder ook ontwikkelt, ik heb Gods DNA in mij. Dat bepaalt ten diepste hoe ik verbonden ben met welke ander dan ook. In alle gevallen mag ik verbinding zoeken en Gods liefde delen. Of het nou een bloedverwant is of slechts een voorbijganger. Dat is een wetenschap die zekerheid geeft.